| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
The Story of the Weeping Camel:
Over kleine dingen in een grote wereld (introductietekst Contact Films)
een film van Byambasuren Davaa en Luigi Falorni
Mongolië 2003, kleur, 90 minuten
Met: Ingen Temee (moeder kameel), Botok (baby kameel), Odgerel Ayusch (moeder Odgoo), Uuganbaatar Ikhbayar (Ugna), Enkhbulgan Ikhbayar (Dude), Munkhbayar Lhagvaa (muzikant) e.a.
Prijzen: o.a. Fipresci-prijs San Francisco Film festival, Beste Documentaire Miami Film Festival, Publieksprijs Buenos Aires Film Festival en nominatie European Film Award voor Beste Documentaire.
Tjalling Halbertsma
The Story of the Weeping Camel is een film voor romantici en realisten. Het dagelijkse bestaan van de herders in de Gobi-woestijn is voor de toeschouwer een overweldigende wereld van nomaden en uitgestrekte zandvlaktes. Als daarin dan ook nog eens een wit kamelenkalfje door zijn moeder verstoten wordt en een muziekritueel de twee met elkaar moet herenigen, treedt de toeschouwer een wereld binnen waar werkelijkheid al snel fictie lijkt. Maar niets is minder waar. The story of the Weeping Camel is het verhaal van modern Mongolië waar herders hun satelliettelevisies op zonnepanelen aansluiten, maar waar een goede muzikant vaak meer oplossingen biedt dan een bezoek van de veearts.
De zuidelijke Gobi-woestijn, waar deze verhalende documentaire zich afspeelt, is een voormalig stuk zeebodem met een klimaat dat tot de meest extreme ter wereld gerekend mag worden. Temperaturen variëren er van plus 40 graden in de zomer tot min 40 in de winter en het hele jaar door – dus ook in de verzengende zomerhitte- zijn er in de Gobi ijsvelden te vinden. De vegetatie is dor en gortdroog, zoals al in de eerste beelden van de film duidelijk wordt. Bomen zijn er niet. In deze buitengewone omgeving leeft de herdersfamilie met zijn kamelen waar deze film om draait. Het gezin woont zoals het merendeel van de Mongoolse nomaden in een vilten ger-tent, waar ook de pasgeboren lammeren tegen storm en kou beschermd worden. Aan de wand hangt een tapijt met Genghis Khan en het leven binnenshuis speelt zich af rond een ijzeren kachel waarop vrijwel altijd een grote open pan met melkthee staat te koken. Er is geen elektriciteitsnet of stromend water, alleen een put, kaarslicht en batterijen. 's Nachts is het buiten zo donker dat de sterren tot aan de horizon fonkelen. Wie door het houten deurtje van de ger-tent naar buiten stapt, staat in de eindeloze leegte van Zuid-Mongolië.
In het voorjaar, als de kamelen hun jongen werpen, wordt de Gobi-vlakte geteisterd door zandstormen. Het stuifzand giert dan met snelheden van 150 km per uur om de ger-tenten en bereikt regelmatig landen als China, Japan en Korea, waar deze stormen ‘het vijfde seizoen’ worden genoemd. The Story of the Weeping Camel werd in dit barre jaargetijde opgenomen. Hoewel de kamelen met hun dubbele oogleden en lange wimpers ideaal zijn uitgerust tegen het opwaaiende Gobi-zand, betekenden de frequente zandstormen voor de filmploeg dat er van de vijfendertig dagen die ze voor het filmen hadden uitgetrokken er slechts drieëntwintig over bleven. De makers hadden echter ook geluk: tussen de jongen die tijdens hun verblijf ter wereld kwamen was er een dat door zijn moeder niet werd geaccepteerd. Dat was ook nog eens het enige witte kalfje temidden van het doorgaans bruine kameelkroost. Met een uitstekend gevoel voor timing hebben Davaa en Falorni de moeizame bevalling en de daaropvolgende verstoting tot een aantal cruciale shots weten terug te brengen om genoeg van hun minieme voorraad film over te houden om het verhaal van de wenende kameel te vertellen. Maar het is vooral de manier waarop zij dit doen die The Story of the Weeping Camel zo aantrekkelijk maakt. De betovering ligt in de eenvoud. In de film komen bijvoorbeeld veel rituelen voor, zoals het uitwisselen van snuifdozen, of de melkthee die iedere morgen voor de ger-tent in de vier windrichtingen wordt gesprenkeld. Ook dit zijn handelingen die deel uitmaken van het dagelijks leven en die bedaard en zonder veel poespas uitgevoerd worden. De makers hebben ze in beeld gebracht met de terloopsheid die ze past.
De herders van de Gobi zijn een volk van weinig woorden. Er wordt dan ook
weinig gesproken in The Story of the Weeping Camel. Ieder geluid in de film
is echter overdonderend: de wind loeit, het witte kalf jammert en zijn moeder
briest onverbiddelijk. Ook de muziek in de film is uitzonderlijk, maar staat
niet op zichzelf. De ijle zang van de vrouwen of de tonen van een herder die
op een heuveltop op een schelp blaast, zijn onlosmakelijk met een landschap
verbonden waarin geluid de ruimte krijgt om lang en van ver gehoord te worden.
Als de wind gaat liggen en de avond valt, wordt de stilte hoorbaar, totdat
’s ochtends vroeg het eerste deurtje van een ger-tent opengaat.
De lang verwachte muzikant, die achterop een motorfiets bij de ger-tenten
komt aanzetten, brengt de film naar het cruciale punt waar het kalf met zijn
moeder herenigd moet worden. Met zijn stadsoverhemd onder zijn traditionele
kleding ziet hij er overrompelend eenvoudig uit. Maar als hij zich bij de
kamelenmoeder heeft neergezet en de strijkstok op zijn instrument zet, heffen
de kamelen geboeid hun koppen op. De tonen van zijn instrument en de zang
zijn magisch. Zal de kamelenmoeder wenen en haar jong accepteren?
The Story of the Weeping Camel werd op alle internationale filmfestivals van 2004 door publiek en critici enthousiast ontvangen. Verfrissend, oorspronkelijk en buitengewoon zijn enkele van de trefwoorden die gehoord werden. Er is inderdaad weinig in de film dat niet uitzonderlijk of oorspronkelijk is, hoewel de herders in de Gobi-woestijn dat niet zo zullen zien. Davaa keerde na het monteren van de film terug naar de Gobi om The Story of the Weeping Camel aan de nomaden te laten zien. Een van de overgrootouders in de film was inmiddels overleden en de familie was in tranen, maar moest ook vaak lachen bij het zien van een film over hun bestaan. En juist daar ligt de oorspronkelijke kracht van deze film: het alledaagse van Mongolië is uitzonderlijk genoeg.
Prospekt:
Het geduld van Mongolië
Politieke en maatschappelijke hervormingen
Themanummer Mongolië 3, Juni 2004
Tjalling Halbertsma
Na een door de buitenwereld vrijwel onopgemerkte revolutie, introduceerde Mongolië in 1991 een meerpartijenstelsel en vrije verkiezingen. Sindsdien worden verstrekkende politieke, maatschappelijke en economische hervormingen doorgevoerd. Hoewel werkloosheid en armoede schrikbarende vormen hebben aangenomen, vindt de meerderheid van de bevolking dat het land zich in de goede richting begeeft. Opiniepeilers verklaren dit door een kort geheugen en veel geduld.
Niets is wat het lijkt in politiek Mongolië. De voormalige communistische Revolutionaire Volkspartij van Mongolië (MPRP), die het land zeventig jaar lang regeerde, heeft haar revolutionaire naam behouden, maar is inmiddels lid van de Socialistische Internationale en mag daarmee op steun van de PvdA, New Labour en de SPD rekenen. MPRP-voorzitter Nambaryn Enkhbayar, sinds 2000 minister-president, wordt in internationale media 'de Blair van de steppe' en 'een politicus van de derde weg' genoemd, maar ook geportretteerd als een voormalige communist, boeddhist en goed danser.
Ook de huidige oppositiepartijen, die zich als een 'coalitie van democraten tegenover de oud-communisten' presenteren, zijn niet altijd wat ze op het eerste gezicht lijken en veelal conservatiever dan hun naam doet vermoeden. De Sociaal Democraten van Mongolië krijgen overzeese steun van onder meer de Amerikaanse Republikeinen en structureerden hun campagnes - naar voorbeeld van Newt Gingrichs' Contract with America - rond een Contract with Mongolia.
Ondanks grote verdeeldheid lijken de hervormingen aan te slaan. De verkiezingen zijn sinds 1992 vrij en eerlijk verlopen en hebben voor westerse begrippen een ongekend hoge opkomst. Het boeddhisme bloeit weer op, de media zijn vrij en het land heeft zich - na lange tijd een van de meest gesloten en teruggetrokken staten te zijn geweest - met eigen troepen in Irak op het wereldtoneel begeven.
Hoe heeft Mongolië onopgemerkt zo ver kunnen komen en wat is de balans van al die politieke en maatschappelijke hervormingen na zeventig jaar communisme?
De MPRP laat er tijdens verkiezingen geen twijfel over bestaan: de grootste politieke overwinning van Mongolië in de twintigste eeuw is zijn onafhankelijkheid. Terwijl de koninkrijken van Centraal-Azië door de Volksrepubliek China en de Sovjet-Unie als autonome provincies of deelrepublieken werden opgeslokt, herwon Mongolië in 1921 zijn onafhankelijkheid en wist die ook te behouden.
In 1990, na demonstraties en hongerstakingen in de hoofdstad Ulaanbaatar, zag de MPRP zich gedwongen haar alleenheerschappij op te geven en vrije verkiezingen uit te schrijven. De transitie was een van de vreedzaamste in de geschiedenis: terwijl de dissidenten op het stadsplein demonstreerden bleef het leger in de kazerne.
De eerste verkiezingen werden door de MPRP, die naast naamsbekendheid over een uitgebreid netwerk beschikte, gewonnen. In 1996 won de Democratische Alliantie, een bonte coalitie van nieuwe partijen, en kwam er een einde aan de alleenheerschappij van de MPRP. De coalitieregering van de Democratische Alliantie was echter een kort leven beschoren. Voor de verkiezingen van 2000 kwamen in totaal drie coalitieregeringen van de alliantie ten val. Bestuurlijke chaos, incompetentie en corruptieschandalen leidden ertoe dat de MPRP in 2000 de Democratische Alliantie van het toneel veegde en maar liefst 72 van de 76 parlementszetels won.
De beloftes die de MPRP tijdens die verkiezingscampagne maakte tonen aan hoe Mongolië er tien jaar na de revolutie van 1990 voorstond. Vrije verkiezingen, een vrije pers en een vrije markteconomie waren voor de kiezer allang geen hoofdzaken meer. Hoge werkeloosheid, verslechterde algemene voorzieningen en schrijnende armoede waren tegenover de nieuw verworven vrijheden komen te staan. De MPRP beloofde de pensioenen en salarissen te verhogen, maar ook de markthervormingen voort te zetten.
De verkiezingen van de komende zomer staan in het teken van het recente verleden. Terwijl de democratische coalitie even verdeeld lijkt als voorheen, tracht zij het electoraat eraan te herinneren dat de democratische omwenteling van 1990 dankzij de Democratische Alliantie kon plaatsvinden. De MPRP daarentegen doet alles om de kiezer aan de chaos van de Democratische Alliantie te herinneren, maar realiseert zich ook dat het de economische hervormingen voor de individuele burger voelbaar moet maken.
Niet voor niets voert de oppositie campagne met de belofte van 'tien dollar per maand voor ieder kind'. Dit is een onrealistische maar zeer populaire belofte, want kinderen zijn er veel in Mongolië. De bevolking van Mongolië is jong, gemiddeld 22 jaar. Maar liefst ze-ventig procent van de 2,3 miljoen inwoners is jonger dan 35 jaar.
Opiniepeilers constateren dat de bevolking van Mongolië een kort geheugen heeft, tenzij het de roemruchte Mongoolse geschiedenis betreft. Voor het eerst in de geschiedenis van het land worden overal in Mongolië beelden van Genghis Khan opgericht. Ook boeddhabeelden die onder de sovjetoverheersing naar Rusland waren gebracht, volgens de toenmalige propaganda om er kogels voor het Rode Leger van te maken, worden aan de hand van foto's gereconstrueerd. Talloze religieuze en seculiere groepen proberen de nationale variaties in het boeddhisme en sjamanisme in Mongolië te vinden.
Maar juist hier speelt het geheugen Mongolië parten. Hoe dans je een rituele tsam-dans nadat die zeventig jaar lang verboden is geweest? En hoe traceer je familienamen die in de vorige eeuw als een feodale erfenis werden afgeschaft en na zeventig jaar vergeten blijken te zijn?
In Mongolië is identiteit niet alleen een kwestie van reconstructie van het verleden maar ook van het noodgedwongen opnieuw definiëren hiervan. De dansers in de rituele tsam-dans kregen weliswaar instructies van een hoogbejaarde monnik die als kind de laatste dans had bijgewoond, maar hun recente uitvoering werd vooral gekenmerkt door improvisatie en vernieuwing.
Het terugvinden van de familienamen, die in de communistische periode waren afgeschaft om het clansysteem te doorbreken, is al even gecompliceerd. In een samenleving van nomaden blijkt zeventig jaar - drie generaties - lang genoeg te zijn om families hun oorspronkelijke naam te laten vergeten. Families die er niet in slagen hun naam te traceren mogen een nieuwe naam kiezen.
Hoewel dit proces nog niet voltooid is, zijn de eerste trends waarneembaar. Historische namen van belangrijke clans zijn uiteraard populair, maar ook beroepen. Zo heeft de eerste en enige astronaut van Mongolië de nieuwe familienaam 'Sansar' gekozen, waarmee hij stamvader van de familie 'Kosmos' is geworden. De maatschappelijke zoektocht naar de identiteit van Mongolië typeert zich zowel door vernieuwing als door aanpassingsvermogen.
Buitenlandse onderzoekers in Mongolië hebben zich vooral verbaasd over het slagen van de democratische en politieke hervormingen in een land dat in een regio ligt waar politieke vrijheden niet vanzelfsprekend zijn. Veel onderzoekers verklaren de functionerende democratie uit het nomadenbestaan van het land.
Anderen wijzen naar recente opinieonderzoeken. Daarin staan de zorgen van het electoraat over werkloosheid, armoede en alcoholisme immers pal tegenover de massale steun voor de koers die het land vaart: maar liefst 74 procent van de kiezers vindt dat het land zich in de goede richting begeeft, negen procent vindt van niet. Dit kan betekenen dat de bevolking van Mongolië in de eerste plaats veel geduld heeft met de politieke, economische en maatschappelijke hervormingen. De echte test moet dan nog komen.
Prospekt: Hoosh; The Story of the Wheeping Camel (recensie)
Themanummer Mongolië 3, Juni 2004
Tjalling Halbertsma
The Story of the Weeping Camel is een film voor romantici en realisten. Het dagelijkse bestaan van de herders in de Gobi woestijn is voor de toeschouwer een overweldigende wereld van nomaden en uitgestrekte zandvlakes. Als daarin dan ook nog eens een wit kamelenkalfje door zijn moeder verstoten wordt en twee herders uitrijden om een muzikant te zoeken wiens spel de kamelen weer kan herenigen, treedt de toeschouwer een wereld binnen waar werkelijkheid al snel fictie lijkt. Niets is minder waar. Binnenkort gaat de film in Nederland in premiere.
The story of the Weeping Camel is het verhaal van modern Mongolië waar
herders hun satelliet-televisies op zonnepanelen aansluiten maarwaar een goede
muzikant voor hun vee soms betere genezing biedt meer oplossingen biedt dan
een bezoek van de veearts.
De flm werd door studenten van de filmschool van München gemaakt. Met
een luttele tien uur film op zak en vijfendertig draaidagen in het vooruitzicht
reisden zij in 2002 naar Mongolië af om het verhaal van de wenende kameel
te vertellen. Wat aanvankelijk begon als een afstudeerproject werd tenslotte
een bioscoopfilm waarvan de betovering in de eenvoud ligt.
De Mongoolse Byambasuren Davaa (1971) en de Italiaan Luigo Falorni (1971)
lieten zich leiden door een ritueel dat in Mongolië ‘hoosh’
wordt genoemd, waarbij een verstoten kameelkalf met de moeder moet worden
herenigd door zang en strijkinstrument. Zo exotisch als dat ons in de oren
klinkt, zo vanzelfsprekend is het hoosh-ritueel in Mongolië. De grootouders
van Davaa, zelf destijds nomaden in de Gobi, vonden het zelfs zo voor de hand
liggend dat ze niet de moeite namen hun kleindochtertje ervan op de hoogte
te brengen, zodat Davaa er pas jaren later in een Mongoolse film kennis van
zou nemen.
In het voorjaar, als de kamelen hun jongen werpen, wordt de Gobi vlakte geteisterd
door zandstormen. Het stuifzand giert dan met snelheden van 150 km per uur
om de ger-tenten en bereikt regelmatig landen als China, Japan en Korea waar
deze stormen ‘het vijfde seizoen’ worden genoemd. The Story of
the Weeping Camel werd in dit barre jaargetijde opgenomen. Hoewel de kamelen
met hun dubbele oogleden en lange wimpers ideaal zijn uitgerust tegen het
opwaaiende Gobi-zand, betekende de frequente zandstormen voor de makers dat
er van de vijfendertig dagen die ze voor het filmen hadden uitgetrokken er
slechts drieëntwintig over bleven. De makers hadden echter ook geluk:
tussen de jongen die tijdens hun verblijf ter wereld kwamen was er een dat
door zijn moeder niet werd geaccepteerd. Dat het ook nog eens het enige witte
kalfje was temidden van het doorgaans bruine kameelkroost is een onwaarschijnlijke
toevalligheid waarover zij zich ongetwijfeld in de handen zullen hebben gewreven.
Met een uitstekend gevoel voor timing hebben Davaa en Falorni de langdurige,
moeizame bevalling en de daaropvolgende verstoting tot een aantal cruciale
shots weten terug te brengen om genoeg van hun minieme voorraad film over
te houden om het verhaal van de wenende kameel te vertellen. Maar het is vooral
de manier waarop zij dit doen die The Story of the Weeping Camel zo aantrekkelijk
maakt. In de film komen bijvoorbeeld veel rituelen voorbij, zoals het uitwisselen
van snuifdozen, of de melkthee die iedere morgen voor de ger-tent in de vier
windrichtingen wordt gesprenkeld. Ook dit zijn handelingen die deel uitmaken
van het dagelijks leven en die bedaard en zonder veel poespas uitgevoerd worden.
De makers hebben ze dan ook in beeld gebracht met de terloopsheid die ze past.
De toeschouwer, die regelmatig kamelen naar de horizon ziet turen, geeft het
een scherp beeld van de rijke vertelkunst van de herders van zuid Mongolië.
Parallel met de verhalen van de woestijnnomaden loopt de oprukkende modernisering.
Sommige ger-tenten in de Gobi zijn al uitgerust met een schotelantenne en
kleinzoon Ugna onderbreekt regelmatig: ‘Maar opa, dat weten we nu wel,
vertel eens iets nieuws!’
In een van de indrukwekkendste scènes van de film zien we hoe dit kereltje
een kameel bestijgt die hem naar de stad zal brengen. Wanneer het dier door
de knieën zakt wordt Ugna door zijn moeder op de rug getild. Achteroverhangend
in het zadel, met in zijn hand het wollen leidsel, roept hij uitbundig ‘Bayartai
- tot ziens!’ Dan geeft hij het enorme dier de sporen en rijdt de woestijn
in met het nonchalante gemak van een kind dat op zijn vaders knie paardje
rijdt. Samen met zijn broer zal hij de muzikant zoeken die de familie kan
helpen.
Ondertussen jammert het witte kalfje bij de ger-tenten hartverscheurend naar
zijn moeder die meters verder met malende kaken onverstoorbaar naar de horizon
tuurt. Als Urta’s ouders het kalf nog eens bij de moeder proberen te
laten drinken schopt die het dier met de knie van zich af. Het kamelenjong
krijgt vervolgens de fles, of in dit geval een met kamelenmelk gevulde geitenhoorn
waarin een gaatje is geboord. Het wachten is op de muzikant.
De herders van de Gobi zijn een volk van weinig woorden. Er wordt dan ook
weinig gesproken in The Story of the Weeping Camel. Ieder geluid in de film
is echter overdonderend: de wind loeit, het witte kalf jammert en de moeder
briest onverbiddelijk.
Ook de muziek in de film is uitzonderlijk maar staat niet op zichzelf. De
ijle zang van de vrouwen of de tonen van een herder die op een heuveltop op
een schelp blaast, zijn onlosmakelijk met een landschap verbonden waarin geluid
de ruimte krijgt om lang en van ver gehoord te worden. Als de wind gaat liggen
en de avond valt, wordt de stilte hoorbaar, totdat ’s ochtends vroeg
het eerste deurtje van een ger-tent opengaat.
The Story of the Weeping Camel werd op alle grote internationale filmfestivals
van 2004 door zowel publiek als critici enthousiast ontvangen. Verfrissend,
oorspronkelijk en buitengewoon zijn enkele van de trefwoorden die gehoord
werden. Er is inderdaad weinig in de film dat niet uitzonderlijk of oorspronkelijk
is, hoewel de herders in de Gobi-woestijn dat niet zo zullen zien. Davaa keerde
na het monteren van de film terug naar de Gobi om The Story of the Weeping
Camel aan de nomaden te laten zien. Een van de overgrootouders in de film
was inmiddels overleden en de familie was in tranen, maar moest ook vaak lachen
bij het zien van een film over hun bestaan. En juist daar ligt de oorspronkelijke
kracht van deze film: het alledaagse van Mongolië is uitzonderlijk genoeg.
The Story of the Weeping Camel
Duitsland/Mongolië 2003, 87 minuten
Scenario en regie Byambasuren Davaa en Luigi Falorni
Met: Ingen Temee (moeder kameel), Botok (baby kameel), Odgerel Ayusch (moeder Odgoo), Uuganbaatar Ikhbayar (Ugna), Enkhbulgan Ikhbayar (Dude), Munkhbayar Lhagvaa (muzikant)
Mongolia
(inleiding bij fotoboek)
Jan Locus, winter 2004
Uitgegeven door Fotomuseum Provincie Antwerpen en Cypres Fotografie Jan Locus
Tekst Tjalling Halbertsma ISBN 9066250623
De erfenis van de twintigste eeuw bestaat voor Mongolië uit een verloren ideologie en herwonnen vrijheden. De symbolen van de revolutie zijn daarbij grotendeels blijven staan, maar dat lijkt alleen de buitenwereld op te vallen. Het land zelf hecht maar weinig waarde en betekenis aan de revolutionaire iconenwereld van weleer, en van een afrekening of beeldenstorm is al helemaal geen sprake. Nieuw Mongolië toont in eerste plaats een land dat op de resten van zeventig jaar socialisme een nieuw bestaan tracht op te bouwen.
Jan Locus heeft die erfenis, reconstructie en vernieuwing van stad en steppe in volle vaart weten te grijpen. Zijn foto¹s tonen de brokstukken van de twintigste eeuw en de kansen die Mongolië voor zich ziet. De arbeiders en stedelingen, de gevangenen en straatkinderen, maar ook de nomaden en hun winnende paarden geven betekenis aan het verleden aan de vooravond van een nieuw Mongolië.
Mongolia is een tijdsdocument van een steppewereld die zich op de scheidslijn van noodlot en kans bevindt.
volledige tekst in De Standaard
Mongolia; Revolution and reforms in a country of
nomads, townspeople and outsiders
Introduction photobook Jan Locus, 2004
Mongolia’s heritage of the twentieth century consists of a lost ideology
and refound freedoms. The symbols of the revolution are for the most part
still in tact, but only the outside world seems to notice them. The country
itself does not attach much value or significance to the revolutionary icons
of yore, and there is no sign at all of retribution or iconoclasm. The new
Mongolia is first and foremost a country that is trying to build itself a
new existence on the remnants of seventy years of socialism.
Jan Locus has captured the full dynamics of that heritage, reconstruction
and renovation of city and steppe. His photos show the fragments of the twentieth
century and the chances that Mongolia sees for itself. The workers and townspeople,
the prisoners and street children, but also the nomads and their winning horses,
they redefine the past on the eve of a new Mongolia.
Mongolia is a time document of a steppe world on the dividing line between
fate and chance.
Prospekt: Eerste Grote Coalitie in Mongolië
nummer 5, 2004
Tjalling Halbertsma
Aan de vooravond van de parlementaire verkiezingen van 26 Juni 2004 berichtte Prospekt over de campagnes, kandidaten en vooruitzichten van de enige democratie in Centraal Azië (Themanummer Mongolië 2004, ‘Het geduld van Mongolië’). Inmiddels is de 42 jarige Tsakhiagiin Elbegdorj tot de nieuwe premier van het land benoemd. Elbegdorj was in 1998 al eerder premier maar moest toen na acht maanden aftreden om een bankschandaal. De jonge politicus kreeg vervolgens een studiebeurs aan een Amerikaanse universiteit waar hij ‘Public Administration’ studeerde. Elbegdorj gaat nu een grote coalitie leiden waaraan alle partijen deelnemen. ‘De kiezer was een grotere oppositie beloofd,’ merkte een campagne manager na het akkoord op, ‘in plaats daarvan hebben ze helemaal geen oppositie gekregen.’
De formatie van wat in Mongolië de ‘Eerste Grote Coalitie’
wordt genoemd, is een opmerkelijk resultaat van een rumoerige verkiezing waarin
de twee grootste partijen elkaar van fraude beschuldigden. Tijdens de verkiezingen
verloor de Revolutionaire Volkspartij (MRVP), die in 2000 maar liefst 72 van
de 76 zetels veroverde, de helft van haar zetels. De sociaal democratische
MRVP weet dat aan verkiezingsfraude van de oppositie, die op haar beurt de
MRVP van machtsmisbruik beschuldigde. Tot overmaat van ramp was de enige substantiële
groep internationale waarnemers uit China afkomstig, een land dat zelf geen
verkiezingen op nationaal niveau houdt en zich doorgaans niet in electorale
aangelegenheden van andere staten mengt. De curieuze Chinese waarnemers wilden
dan ook geen uitspraken over de verkiezingen in hun buurland doen. Daarnaast
moest het constitutionele hof zich ruim twee maanden na de verkiezingen nog
altijd uitspreken over de betwiste uitslag van twee kiesdistricten.
Door de betwiste uitkomst was een patstelling ontstaan waarbij geen van de
partijen een absolute meerderheid had om de premier te benoemen. De partijen
hebben die pastelling doorbroken en zullen voorlopig samen gaan werken.
Het grootste struikelblok daarbij zijn de enorme beloftes die voormalige oppositieleiders
als Elbegdorj tijdens de verkiezingen maakten. Zijn haastig gevormde Democratische
Moederland Coalitie van linkse en rechtse partijen voerde deze zomer een campagne
waarin kinderbijslag, gratis woningen en een inkomensgarantie voor herders
in de steppe centraal stonden. Dat is opmerkelijk want dergelijke beloftes
behoren juist traditioneel tot de communistische partij en Elbegdorj heeft
zich altijd een van de studentenleiders genoemd die het communistische regime
in 1990 dwong vrije verkiezingen uit te schrijven. Als premier zal hij nu
een antwoord moeten vinden op beloftes die door internationale donors als
catastrofaal voor het land worden gezien.
De MRVP, die weliswaar een aantal ministers voor het kabinet Elbegdorj zal
leveren, heeft zich fel tegen dergelijke beloftes gekeerd en de voormalige
MRVP premier Enkhbayar heeft dan ook voor het politiek stabiele kamervoorzitterschap
gekozen en zal zich naar alle verwachting op de presidentiele verkiezingen
van 2005 richten.
Tot die tijd kan het land verhitte kamerdebatten tegemoet zien. Met de lokale
en presidentiële verkiezingen in het nabije vooruitzicht, zullen de partijen
immers voor de onmogelijke opgave komen te staan om zowel samen te regeren
als campagne tegen elkaar te voeren. Weinig Mongolen zien premier Elbegdorj
dan ook zijn termijn van vier jaar zal uitzitten. ‘Negen maanden, een
maand meer dan de vorige keer’, is volgens inwoners van het steppeland
al een hele prestatie. Buitenlandse waarnemers en regeringsleiders hebben
het land desondanks geprezen als de enige democratie van Centraal Azië.
Tjalling Halbertsma is in Mongolië werkzaam voor pralementsvoorzitter Enkhbayar die Mongolië van 2000-2004 als premier leidde.
Internationale Samenwerking: Burket, adelaars en identiteit in west Mongolië
November 2004
Tjalling Halbertsma
In de meest westelijke provincie van Mongolië leeft een uitzonderlijke groep kazachen. In tegenstelling tot de Mongoolse meerderheid – de khalkh - zijn deze nomaden etnisch, cultureel en religieus verwant aan de islamitische volkeren van Centraal Azië. Na het uiteenvallen van de Sovjetunie in 1990 vertrokken honderden families vanuit west Mongolië naar het onafhankelijke Kazachstan. Om vervolgens rechtsomkeer te maken.
‘We zijn moslims en spreken onze eigen taal,’ zegt Aralbai in
zijn ger-tent aan de voet van het Altai gebergte, ‘en we zijn burket
- adelaar jagers.’
De burket trainen de roofvogels om vanaf hun arm uit te vliegen en hazen,
vossen en zelfs wolven te vangen. ‘We gebruiken alleen adelaarvrouwtjes,
zegt Aralbai, ‘die zijn groter en agressiever dan de mannetjes.’
Zoals het merendeel van de Mongoolse bevolking leven de kazachen in vilten
ger-tenten, maar waar bij de khalkh een boeddhistisch soetra-boek te vinden
is, ligt in Aralbai’s ger-tent een koran. Daarnaast is er in zijn ger
geen afbeelding van Genghis Khan te vinden, maar zijn de wanden van zijn tent
behangen met kleurige tapijten uit Centraal Aziaische buurlanden als Kirgizië
en Kazachstan.
Een ding hebben de khalkh en kazach herders in Mongolië echter gemeen.
In 1990 herwonnen beide groepen hun religieuze vrijheden en sindsdien zijn
zij aan een zoektocht begonnen naar hun religie, geschiedenis en identiteit.
Tijdens het dieptepunt van de religieuze vervolgingen in de jaren dertig van
de vorige eeuw werden zowel kloosters als moskeeën gesloten en de boeddhistische
lama’s en imams geëxecuteerd. Zelfs de burket-jacht met adelaars
werd toen verboden.
Na de jarenlange repressie besloot in 1990 een grote groep kazach herders
een nieuw bestaan op te bouwen in het onafhankelijke Kazachstan. Sindsdien
zijn echter veel kazach families naar de Mongoolse Altai teruggekeerd. De
voormalige Sovjet republiek Kazachstan gleed in korte tijd naar een totalitaire
staat af, terwijl Mongolië de zo recent verworven democratische vrijheden
heeft weten te behouden. Mongoolse boeddhisten herbouwen hun kloosters en
ook de kazachen zijn opnieuw vrij om een hadj-pelgrimage naar Mekka te ondernemen.
Het reconstrueren van de religieuze tradities gaat echter niet vlekkeloos.
Want hoe dans je een boeddhistische tsam-dans als die meer dan drie generaties
verboden is geweest? Russificatie van de kazach herders heeft ook zijn tol
geëist en nog maar weinig kazachen zijn in staat arabisch te lezen.
De burket-adelaarjagers hebben de twintigste eeuw echter overleeft. De kazachen
hebben nooit helemaal gehoor gegeven aan het verbod. ‘We jagen tenslotte
al tweeduizend jaar met adelaars,’ benadrukt Aralbai die zijn eerste
adelaarsjong uit een nest haalde toen de burket-jacht nog verboden was.
Het roofdier op zijn onderarm is een uit de kluiten gewassen roofvogel met
enorm klauwen en heeft de karakteristieke snavel van een gouden adelaar.
‘Als ik met mijn adelaar naar buiten kom, brengen de vrouwen hun baby’s
naar binnen,’ grinnikt Aralbai.
Tjalling Halbertsma is adviseur van Nambar Enkhbayar, de voormalige premier en huidige kamervoorzitter van Mongolië, en onder meer auteur van Steppeland; berichten uit Mongolië, Hollandia (2003).
De Standaard: Hoe Marx en Lenin om de tuin werden geleid
Magazine, 5 maart 2005
Tjalling Habertsma
foto's Jan Locus
Ooit een mythisch rijk dat een derde van de wereld veroverde, nu een land van nomaden, stedelingen en buitenstaanders. Op de resten van zeventig jaar socialisme probeert Mongolië een nieuw bestaan op te bouwen. De fotograaf Jan Locus dompelde zich onder en toont de brokstukken van de twintigste eeuw.
Op een binnenplaats van een appartementenblok in het noorden van Ulaan Baatar
staat een stalen beeld van een kalende man die zijn enorme hand in zijn vest
heeft gestoken. Het metershoge beeld is wat verloren tegen de gevel van het
appartementencomplex gezet, zodat het niet omvalt. Om de stalen hals zijn
helder-blauwe zijden sjaals geknoopt die ook in de boeddhistische kloosters
te vinden zijn, en aan de voeten staat een blikje met zand waarin een verbrand
wierookstaafje is gestoken. Dikke lagen vet met daarin luciferstokjes zijn
op zijn knieën gesmeerd, zoals sjamanen en boeddhisten in Mongolië
dat ook bij hun stenen beelden doen. Het is alsof iemand zich het lot van
de oude man heeft aangetrokken nu hij van zijn sokkel is gestoten en zich
over diens oude dag heeft ontfermd.
De bewoners van het appartementenblok noemen hem Lenin-baghs: ‘Leraar
Lenin’. Lenin heeft in Mongolië meer dan één dankbare
leerling nagelaten. Ook het kolossale betonnen beeld van hem dat in de oostelijke
grensstad Choibalsan staat opgesteld, heeft een beschermheer die ieder voorjaar
de grootste barsten met cement voegt en zo nu en dan een verfroller over het
besmeurde gelaat haalt.
Stalin is in Mongolië een dramatischer lot beschoren. Zijn indrukwekkende
beeld is nu op de dansvloer van een discobar te vinden, waar hij op een draaiende
glitterbal uitkijkt en aan zijn voeten een benevelde menigte host. Stalin
is hier gereduceerd tot een bronzen attractie en het doelwit van spot en dronkemansgrappen.
De communistische erfenis van Mongolië bestaat uit meer dan beelden alleen,
maar het lot van de roergangers toont een land dat op de resten van zeventig
jaar socialisme een nieuw bestaan tracht op te bouwen. De symbolen van de
revolutie zijn daarbij grotendeels blijven staan, maar dat lijkt alleen de
buitenwereld op te vallen. Nieuw Mongolië hecht maar weinig waarde en
betekenis aan de revolutionaire iconenwereld van welleer, en van een afrekening
of beeldenstorm is al helemaal geen sprake. Volgens sommigen komt dat omdat
Mongolië nooit in het communisme geloofde, maar het uitsluitend koos
als een systeem om de twintigste eeuw te overleven. Lenin, Stalin en Marx
werden volgens hen in Mongolië bedrogen.
In 1924 nam Mongolië als tweede staat ter wereld het communisme aan.
Dertien jaar eerder, na de val van de Chinese Qing Keizer in 1911, had het
hoofd van de Mongoolse Boeddhisten al de onafhankelijkheid van het land uitgeroepen,
maar die was allerminst veilig gesteld. Mongolië had een periode van
ruim vierhonderd jaar Chinese overheersing achter zich waarbij het als de
provincie Buiten-Mongolië in het Chinese keizerrijk was opgenomen. Om
zich tegen Chinese generaals en andere buitenlandse oorlogsheren te wapenen
riep de Mongoolse Volkspartij de hulp in van de Sovjet Unie en veranderde
zij haar naam in de Revolutionaire Volkspartij. Het luidde daarmee een cruciale
periode in die het land op zijn grondvesten deed schudden. Niets zou daarna
meer hetzelfde zijn.
Hoewel het land inderdaad onafhankelijk bleef, werd het door de Sovjet-Unie
gedomineerd, en was het met name vanaf de jaren veertig van de vorige eeuw
aan een sterke russificatie onderhevig. Steden verrezen in de steppe, nomaden
werden arbeiders en de voornaamste sporen van de Mongoolse identiteit werden
langzaam maar zeker uitgewist. Achternamen werden afgeschaft om het clansysteem
te doorbreken en het prachtige Mongoolse schrift verruild voor het vlakke
cyrillisch. Kloosters werden gebrandschat en vernield en zelfs het spreken
over de geweldige veroveringen van Genghis Khan en zijn nazaten werd letterlijk
verboden.
Het land kroop echter wel door het oog van de naald want terwijl alle koninkrijken
van Centraal Azië door China en de Sovjet Unie als provincies of deelrepublieken
werden ingelijfd, bleef Mongolië als een onafhankelijke staat bestaan.
Toen de Partij Secretaris van een naburige Sovjet Republiek voorstelde dat
Mongolië zich als republiek bij de Unie zou aansluiten, zou het Mongoolse
staatshoofd hem zwijgend in het gezicht hebben geslagen. Veel Mongolen zijn
hem daar nog altijd dankbaar voor. Dat is minder voor de hand liggend dan
het lijkt, want dezelfde man was verantwoordelijk voor de vervolgingen en
onderdrukkingen die vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw aan tienduizenden
monniken, burgers en dissidenten het leven kostte. Daartoe werd in 1937 een
Speciale Commissie opgericht die de veroordelingen minutieus optekende. Tussen
september 1937 en april 1939 werden maar liefst 25 824 verdachten door de
Commissie berecht. 20 474 daarvan werden geëxecuteerd en 5343 werden
verbannen of opgesloten. Een vervolging door de Speciale Commissie betekende
vrijwel altijd een veroordeling; slechts zeven personen werden tussen 1937-1939
vrijgesproken. Duizenden anderen verdwenen zonder enige vorm van een proces.
Niets en niemand werd gespaard. Partijzuiveringen leidden tot de executie
en verbanning van communistische kaders en hun kinderen.
Het land zelf bleef echter tegen ieders verwachting in als een onafhankelijke
staat bestaan, al was het nog maar een schaduw van het roemruchte rijk dat
ooit een derde van de wereld veroverd had.
Omdat de grenzen hermetisch gesloten waren, was de buitenwereld zich maar
nauwelijks bewust van dit steppeland. In het Westen werd de oude Chinese provincienaam
Buiten-Mongolië langdurig en hardnekkig gebruikt om het land aan te duiden
terwijl maar weinig mensen het land op de wereldkaart wisten te vinden. Het
land was welhaast een mythisch en gedroomd rijk geworden, dat door de buitenwereld
als metafoor voor de verste en diepste uithoek van de wereld werd aangehaald,
en in zekere mate is dat nog altijd het geval.
In 1990, na een door de buitenwereld vrijwel onopgemerkte revolutie, schudde
het land de leidende hand van de Sovjet Unie van zich af en werden vrije verkiezingen
uitgeschreven. Mongolië had de twintigste eeuw overleefd, al was daar
een hoge prijs voor betaald, en stortte zich onverminderd op de wederopbouw
van haar tradities, religie en cultuur. Terwijl Stalins standbeeld naar de
discobar werd gedragen, rezen in de kloosters nieuwe boeddhabeelden op en
werd voor het eerst in de geschiedenis een standbeeld van Genghis Khan opgericht.
Wie goed kijkt ziet daarin de hand van een beeldhouwer die geschoold is in
het sociaal realisme en wat onwennig de voorheen verboden Genghis Khan uit
marmer heeft gehouwen, zoals ook de eerste beelden van de revolutie door boeddhisten
waren gemaakt toen alleen monniken de beeldhouwkunst machtig waren.
De zoektocht naar de historische achternamen, die als een feodale erfenis
waren afgeschaft om het traditionele clan systeem te doorbreken, gaat ook
vandaag nog onverminderd door. Zeventig jaar –nauwelijks drie generaties–
blijkt in een samenleving van nomaden lang genoeg om de familienaam te vergeten.
Mensen die het niet lukt hun oorspronkelijke familienaam terug te vinden hebben
dan ook de optie gekregen om een nieuwe te kiezen. Zo heeft de enige kosmonaut
van het land de nieuwe naam ‘Sansar’ gekozen en is hij daarmee
stamvader van de familie ‘Kosmos’.
Zoals er nieuwe namen worden gekozen, betekent een reconstructie van het verleden
in Mongolië vooral het opnieuw definiëren daarvan. Met name de traditionele
levende cultuur lijkt te zijn verloren. Een rituele Tsam-dans die onder het
communisme zeventig jaar lang verboden was geweest, werd tijdens de eerste
uitvoering sinds het verbod vooral gekenmerkt door improvisatie en vernieuwing.
Het communistische verleden van het land lijkt voornamelijk in de politiek
van belang te zijn en is regelmatig inzet van de verkiezingscampagnes. In
2000 bood de voorzitter van de voormalig communistische Revolutionaire Volkspartij
(MRVP), die zelf een grootouder tijdens de vervolgingen van de jaren dertig
verloor, onverwacht namens de partij zijn excuses aan voor de verschrikkingen
die onder het communistische bewind hadden plaatsgevonden. De MRVP, inmiddels
lid van Socialistische Internationale, wil nu ook haar naam veranderen. Ondertussen
is er wel een nieuwe communistische partij opgericht, maar ook een Boeddhistische
Partij, een Partij voor Vernieuwing en Vooruitgang en een Nationale Erfgoed
Partij, hoewel die weinig invloed of macht hebben.
Mongolië is daarmee in een stroomversnelling gekomen die niet meer te
stoppen lijkt, met alle ongewenste neveneffecten van dien. De overgang van
een centraal geleide economie naar een van de meest vrije markteconomieën
in Azië eiste als eerste haar tol. Voor het eerst in de Mongoolse geschiedenis
zijn er straatkinderen in de grote steden te vinden en is er wijdverbreide
armoede. Ook onderwijs en scholing zijn niet meer zo toegankelijk als voor
1990 toen bijna 98 procent van de bevolking had leren lezen en schrijven.
Mongolië is mogelijk het enige land in Azië waar daklozen en bedelaars
een krant uit de vuilnisbakken vissen om het nieuws te lezen.
Terwijl de gezondheidszorg in de vorige eeuw enorme vorderingen maakte is
de nu ook de basale gezondheidszorg slachtoffer van de markteconomie geworden.
Grootmoeders die in de eerste helft van de twintigste eeuw letterlijk op de
steppegrond tussen schapen in vilten ger-tenten waren geboren, zagen hun kleinkinderen
aan het eind van de eeuw in veldhospitalen ter wereld komen. Inmiddels is
de gezondheidszorg van Mongolië echter sterk uitgehold en is de beste
zorg in privé-klinieken te vinden. Voor gespecialiseerde zorg moeten
patiënten regelmatig naar het buitenland reizen. Daarnaast is de werkeloosheid
hoog, alcoholisme endemisch en de gemiddeld levensverwachting laag. En toch
is, opmerkelijk genoeg, het merendeel van de bevolking van mening dat het
land zich in de goede richting begeeft.
Opiniepeilers wijten dat aan een jonge bevolking en een groot geduld voor
de politieke en economische hervormingen die sinds 1990 zijn afgekondigd.
De helft van de Mongoolse bevolking is jonger dan achttien jaar en de gemiddelde
leeftijd van de bevolking ligt rond de drieëntwintig. Dat betekent dat
maar weinig mensen zich de periode voor 1990 kunnen herinneren.
Andere onderzoekers zien het nomadenbestaan als een reden voor de haast vanzelfsprekende
acceptatie van hervormingen en vernieuwingen in het land. Ruim de helft van
de 2,6 miljoen Mongolen woont in de steppe en het stedelijke bestaan is pas
laat in de vorige eeuw op gang is gekomen. Tot de twintigste eeuw betekende
de steppe het voortbestaan van de nomaden, met name omdat niemand anders er
kon overleven en de steppe daarmee een veilig toevluchtsoord was – ook
al lag die grotendeels in een provincie van het Chinese keizerrijk.
Het nomadenleven op de steppe staat in de eerste plaats in het teken van constante
verandering. Verandering van seizoenen, met temperatuurverschillen van bijna
honderd graden in zomer en winter, zijn in een extreem landklimaat nergens
zo voelbaar als op de steppe. Het bestaan in verscheidene zomer en winterkampen
en de zoektocht vanuit droge naar goede weidegronden vereisen een constante
aanpassing aan veranderende omstandigheden.
Volgens sommigen is het juist dit aanpassingsvermogen dat Mongolië door
de twintigste eeuw heeft geloodst. De huidige hervormingen, vernieuwing en
het opnieuw definiëren van de Mongoolse identiteit en tradities zijn
daar voorbeelden van, zoals de alliantie met de Sovjet Unie in de eerste plaats
door overlevingsdrang en strategische redenen was ingegeven. Een communistische
overtuiging of kennis van de grondbeginselen daarvan laat zich bij de vroege
groep Mongoolse vrijheidsstrijders maar moeilijk veronderstellen. Marx moest
in 1921 zelfs nog in het Mongools vertaald worden. Misschien werden Marx,
Lenin en Stalin dus inderdaad wel bedrogen in Mongolië.
In ieder geval is de communistische erfenis van Mongolië een gedeelde
erfenis met de Sovjet Unie en verklaart dat ook waarom de symbolen en erfstukken
daarvan - op een enkele beschermheer na - het huidige Mongolië zo koud
laten. De prijs voor hen die de twintigste eeuw overleefden bestaat uit de
verloren tradities en het verleden dat zich niet meer laat vinden en dat nu
opnieuw moet worden vorm gegeven.
nr. 4 2005
tekst: Tjalling Halbertsma
foto's: Iwan Baan
Op 24 juni benoemde Mongolië een nieuwe president. President Nambar Enkhbayar behaalde tijdens de presidentsverkiezingen een maand eerder meer dan de helft van de stemmen, waardoor een tweede ronde niet nodig was. Nederlander Iwan Baan had als enige buitenlandse fotograaf toegang tot de campagne van de winnende kandidaat. Hij maakte een reportage van de laatste campagnedag, het stemmen in de steppe en de verkiezingsnacht op het partijbureau van de nieuwe president.
Maar liefst vier politici streden om het presidentschap van een van de meest
democratische maar ook armste staten van Azië. De verkiezingscampagne
werd gekenmerkt door beschuldigingen en demonstraties, maar ook door televisiedebatten
naar Amerikaans model.
Meest opvallend was de campagne van zakenman Jargalsaikhan, wiens Republikeinse
Partij slechts één zetel heeft in de Ikh Hural, het Mongoolse
parlement. Hij sloot zijn campagne af met een extravagante show waar tientallen
popsterren en dansgroepen optraden. De boomlange kandidaat arriveerde per
motorfiets op het podium onder een vuurwerkspektakel en rockmuziek.
Nambar Enkhbayar (g. 1952) daarentegen koos voor een campagne die hem zowel
als internationaal staatsman als hoeder van de Mongoolse natie typeerde. Zo
bezocht hij de plaats waar in de communistische periode een standbeeld van
Stalin had gestaan om er een beeld van de Mongoolse schrijver en dichter Rinchen
te onthullen. Enkhbayar leidt de Mongoolse Revolutionaire Volkspartij (MRVP),
de voormalige communistische partij, en de symboliek van het bezoek was dan
ook onmiskenbaar.
De macht ligt in Mongolië voornamelijk bij de regering en het parlement,
en de macht van de president is beperkt. Hoewel hij de rechters benoemt, het
leger aanvoert en over beperkte vetorechten beschikt, is de president in de
eerste plaats de symbolische beschermheer van de natie.
Ondanks zijn relatief jonge leeftijd van 47 jaar, is de nieuwe president een
oudgediende. In 1992 was Enkhbayar, die auteurs zoals Tolstoy, Dostojevski,
Dickens en Huxley naar het Mongoolse vertaalde, al minister voor cultuur.
Tussen 1997 en 2000 leidde hij als partijvoorzitter de MRVP-oppositie om in
de parlementaire verkiezingen van 2000 het premierschap op te eisen. Kort
daarna werd de MRVP lid van de Socialistische Internationale, de wereldwijde
organisatie van socialistische partijen waar ook partijen als PvdA, New Labour
en de SPD lid van zijn. Enkhbayars regeringsperiode werd door een reeks natuurrampen
geplaagd waarbij het steppeland een derde van haar veestapel verloor. Desondanks
groeide de Mongoolse economie fors; in 2004 met maar liefst 10.6 procent.
Daarnaast trad Mongolië toe tot de Millenium Account, een nieuw Amerikaanse
donorprogramma, werd de staatsschuld aan Rusland afgelost en stuurde het land
zelfs troepen naar Irak.
In 2004 verloor de MRVP echter de meerderheid in de Ikh Hural en werd Enkhbayar
tot kamervoorzitter benoemd. Rivaal Elbegdorj, die in 1998 al enige maanden
premier was, vormde toen een nieuwe coalitieregering. De regering-Elbegdorj
wordt echter door grote interne verdeeldheid ondermijnd en lijkt op korte
termijn ten val te zullen komen. Als dat inderdaad gebeurd zal president Enkhbayar
een nieuwe premier moeten goedkeuren.
Enkhbayar’s benoeming tot president heeft een aantal belangrijke directe
gevolgen voor de MRVP en het parlement. Als president heeft hij zijn functies
binnen de MRVP en het kamervoorzitterschap op moeten geven. Ook zijn parlementszetel
zal opnieuw verkiesbaar worden gesteld. Omdat het parlement in twee machtsblokken
is verdeeld die allebei vrijwel evenveel zetels hebben, is deze bijverkiezing
belangrijker dan anders. MRVP zal naar alle waarschijnlijkheid deze zetel
behouden, opnieuw een kamervoorzitter leveren en misschien zelfs een nieuwe
coalitieregering kunnen vormen.
Naar verwachting zal president Enkhbayar een actieve rol in de Mongoolse politiek
blijven spelen en zich vooral internationaal profileren.
Tjalling Halbertsma was tussen 2004 en 2005 adviseur van MRVP-voorzitter Enkhbayar. Tijdens de presidentsverkiezingen van 2005 was hij campagneadviseur van de winnende kandidaat.
Groene Amsterdammer China Special: Van steppe naar melkdorp
#40, 1 ocotber 2005
TEKST TJALLING HALBERTSMA
FOTOGRAFIE IWAN BAAN
De westelijke steppe van Binnen-Mongolië verandert schrikbarend snel
in een woestijn. Waar ooit kniehoog gras groeide, ligt nu een zee van zand.
De herders in de steppe klagen over het gebrek aan gras voor hun kuddes, die
zo zwak zijn dat ze de winter maar nauwelijks overleven.
De lokale veearts heeft nog nooit zo veel koeien aan het infuus gelegd. En
de gevolgen reiken verder dan het gebied zelf. In het voorjaar leggen zandstormen
steden als Peking en Seoul stil. Mensen op straat schuilen met lappen voor
hun ogen en mond, binnenshuis moeten lichten aan worden gedaan en het verkeer
komt volledig tot stilstand. Als het dan ook nog eens regent, worden de steden
onder een dun laagje gele modder bedekt.
Deze periode wordt daarom ook wel «China’s vijfde seizoen»
genoemd. Dat er iets moet gebeuren, is iedereen duidelijk. China plantte al
een Groene Muur, een haag van miljoenen bomen die het zand moest opvangen
terwijl de boomwortels de grond en het grondwaterpeil moesten beschermen.
Aanvankelijk leek dat te werken, totdat de bomen stierven omdat het woestijnstof
ze deed stikken.
De Chinese overheid is nu tot drastischer maatregelen overgegaan. De herders
van Binnen-Mongolië moeten de steppe uit. Het is immers hun vee dat de
steppe aantast: vooral hun geiten, die niet alleen het steppegras eten maar
ook de wortels daarvan uit de grond trekken. In gebieden waar de overbegrazing
het ergst is hebben de herders daarom te horen gekregen dat ze niet langer
vee mogen houden. En zonder vee kan een herder niet in de steppe overleven.
Ze krijgen een staatslening aangeboden om een huis in een «melkdorp»
te kopen, waarvan ze ook een aanbetaling kunnen doen om westers stamboekvee
aan te schaffen, dat meer melk geeft dan de lokale koeien. De dieren komen
uit Nieuw-Zeeland en Australië; Nederlandse koeien komen niet in aanmerking
vanwege de gekkekoeienziekte.
«De koeien willen het lokale gras niet eten en moeten bijgevoederd worden
met hooi en krachtvoer», zegt Baatar (op verzoek niet zijn werkelijke
naam) die sinds deze zomer in een van de melkdorpen woont. Daarnaast zijn
de dieren niet tegen het koude klimaat bestand en moeten ze in de winter in
verwarmde stallen worden ondergebracht. Omdat de koeien ook kunstmatig geïnsemineerd
moeten worden, lopen de kosten hoog op.
«Het loont niet om hier koeien te houden», zegt Baatar: «Vroeger
deden we alles zelf. Nu heb ik alleen nog schulden.» Ook zijn nieuwe
rijtjeshuis laat te wensen over. In de steppe smeerde hij ieder najaar een
extra laag leem op zijn huis om het tegen de winter te isoleren. Het nieuwe
huis is weliswaar van baksteen, maar het is veel te koud tijdens het winterseizoen,
wanneer de temperatuur tot dertig graden onder nul kan dalen. In zijn oude
boerderij verstookte hij koeienmest die hij tijdens het hoeden van zijn vee
verzamelde; nu moet hij kolen kopen om zijn huis warm te krijgen.
«De regering vertelde ons dat we hier stromend water en elektra zouden
krijgen», zegt hij: «Thuis had ik een waterput en een windmolentje.
Ik krijg nu iedere maand een rekening: voor het huis, voor de koeien, voor
de kolen, voor het zaad waar mijn koeien mee geïnsemineerd worden, voor
de elektra, het water», telt hij op zijn vingers. Allemaal kosten die
hij voorheen niet had. Daarnaast heeft hij in het nieuwbouwdorp voor het eerst
in zijn leven buren.
De buitenmuur van zijn stal staat tegen het volgende huis aan gebouwd. «Op
de steppe hadden we veel ruimte, hier woont iedereen boven op elkaar»,
klaagt hij. Als Mongool behoort Baatar tot een van de minderheidsgroeperingen
in China. Het gebied waar hij woont is echter sinds de stichting van de Volksrepubliek
China in 1949 volgestroomd met Han-Chinese migranten. Inmiddels wonen er voor
iedere Mongoolse herder tien Han-Chinezen in Binnen-Mongolië. Met de
gedwongen verhuizing van de herders naar de melkdorpen verdwijnt een herders
wereld die overigens al grotendeels onder de voet was gelopen.
«Waarom moeten wij nu weg», vraagt Baatar, «wij waren hier
toch het eerst?» Hij vermoedt dat er behalve ecologische ook andere
motieven voor het nieuwe beleid zijn: «Het is hier corrupt. De huizen
zijn door een neef van de lokale partijchef gebouwd en die is nu rijk.»
Daarnaast zouden twee Chinese zuivelconcerns, Mengniu en Yili, op de bouw
van de melkdorpen hebben aangedrongen. «Zodat ze de melk makkelijker
kunnen afnemen en niet alle boeren individueel hoeven te bezoeken.»
Baatars twee koeien staan geduldig bij de stal te wachten om gemolken te worden.
De hoeven staan in het zand, want veel gras groeit er niet, als ze dat al
zouden willen eten. Baatar hoeft alleen maar te wachten tot de melkmachine
vanzelf afslaat. Hij steekt zijn handen lijdzaam in zijn zakken en zegt: «Ze
zijn hier allemaal gek.»
Internationale Samenwerking: De Blair van de Steppe
October 2005
Foto's: Iwan Baan
Tekst: Tjalling Halbertsma
Deze zomer koos Mongolië een nieuwe president. Mongolië is het enige democratische land in Centraal Azië. De macht ligt in bij de regering en het parlement. De president benoemt de rechters van het constitutionele hof, voert het leger aan en beschikt over beperkte vetorechten in het parlement. President Enkhbayar is in de eerste plaats de symbolische beschermheer van de natie, die het land bijeen dient te houden.
Niets is wat het lijkt in politiek Mongolië. De voormalige communistische
Revolutionaire Volkspartij van Mongolië (MRVP), die het land zeventig
jaar lang regeerde, heeft haar revolutionaire naam behouden, maar is inmiddels
lid van de Socialistische Internationale en mag daarmee op steun van de PvdA,
New Labour en de SPD rekenen. Internationale persbureaus die de MRVP kandidaat
Nambar Enkhbayar aan het begin van de verkiezingscampagne nog als ex-communist
of rechtuit communist hadden omschreven, noemden hem na de verkiezingen een
'anticommunist' en 'een filosoof die boeddhistische teksten citeert als hij
het over het aantrekken van buitenlandse investeringen heeft'. Eerder was
hij al de 'Blair van de Steppe' genoemd.
Ook de huidige oppositiepartijen, die zich als een 'coalitie van democraten
tegenover de oud-communisten' presenteren, zijn niet altijd wat ze op het
eerste gezicht lijken. Tijdens recente verkiezingen beloofden zij de kiezer
prijsgaranties en een herverdeling van de welvaart; maatregelen die traditioneel
juist tot het platform van de communistische partij behoorden.
Ondanks grote verdeeldheid lijken de democratische en economische hervormingen
in Mongolië aan te slaan. Buitenlandse onderzoekers in Mongolië
hebben zich daarover verbaasd. Mongolië ligt immers in een regio waar
politieke vrijheden niet vanzelfsprekend zijn. Buurland Rusland bijvoorbeeld
heeft geen vrije pers en het democratisch gehalte van de andere buur China
laat al helemaal te wensen over. Ook de voormalige Sovjetrepublieken van Centraal
Azië zijn onder de vlag van democratie en onafhankelijkheid naar totalitaire
systemen afgegleden. Veel onderzoekers zoeken het functionerende van de democratie
in Mongolië in het nomadenbestaan van de bevolking. Bijna de helft van
de bevolking woont nog in de steppe, en ook veel inwoners in de stad hebben
nog vee dat bij familieleden in de steppe is ondergebracht. Een combinatie
van zelfredzaamheid in een van de meest barre klimaten op aarde en mondigheid
van de herders zou volgens hen een belangrijke bijdrage vormen voor de vrije
verkiezingen die het land sinds 1990 organiseert.