recensies: de verloren lotuskruisen (tentoonstelling rijksmuseum voor volkenkunde)

 

 

RMV Persbericht: De verloren lotuskruisen
23 april 2004

Rijksmuseum voor Volkenkunde

 

Groene Amsterdammer: Zoeken naar Christenen in China; Interview Tjalling Halbertsma
6 maart 2004
Jan van der Putten

 

Trouw: Kruis op lotusbloem gered vóór de rovers
6 mei 2004
Michel Dijkstra

 

Leidsch Dagblad: Verloren Lotuskruisen en wrijfprenten
21 april 2004
Ad van Kaam

 

Volkskrant: Vroege Christenen in China

23 april 2004
Redactie

 

NRC Handelsblad: Kruisen in de Gobi (interview)
13 december 2003
Hendrik Spiering

Top


Persbericht: De verloren lotuskruisen (tentoonstelling)

23 april 2004

 

Rijksmuseum voor Volkenkunde

 

Staan er bijna dagelijks berichten over mislukte integratie en geloofsconflicten in de krant, in het Rijksmuseum voor Volkenkunde zijn nog het hele jaar een aantal opmerkelijke bewijzen van vroege integratie en stijlvermenging te zien. Wrijfprenten en foto's van eeuwenoude grafstenen, gevonden in China en afkomstig van volgelingen van de Kerk van het Oosten tonen een bijzondere iconografische mix. Boeddhistische lotusbloemen, christelijke symbolen als kruisen en wijnranken staan gebroederlijk naast typisch Chinese draken en wolkenpartijen.

De graven dateren uit de dertiende eeuw, toen een kleine groep volgelingen van de Kerk van het Oosten Mongolië en China introk. De grafstenen zijn bijna niet meer terug te vinden op hun oorspronkelijke plek, maar wel op boerenerven. Dat komt omdat in een steppegebied, waar weinig bomen groeien en bouwmateriaal schaars is, ieder stuk steen al snel een kostbaar goed wordt. De grafstenen werden dan ook door boeren verzameld die ze in de fundamenten en muren van hun boerderijen verwerkten. Een ander lot dat de graven trof is plundering en roof. In de vorige eeuw namen deze praktijken een grote vlucht. Ook vandaag de dag nog verkopen grafrovers muntjes, porseleinen kommen en andere aardewerken grafgiften aan langstrekkende handelaren. Uiteindelijk belanden de voorwerpen veelal in handen van westerse kunsthandelaren; de prijzen liggen daar flink hoger dan in China zelf.
Het zijn niet alleen professionele grafrovers die de graven plunderen. Door de droge zomers en strenge winters van de afgelopen tijd hebben veel herders hun vee verloren en zijn de oogsten mislukt. Omdat er toch brood op de plank moet komen, zijn boeren en herders de grafheuvels gaan plunderen. Veel historisch waardevolle informatie over de Chinese Kerk van het Oosten dreigt daarmee voorgoed verloren te gaan. Het documenteren van dit bijzondere erfgoed is dan ook belangrijker dan ooit.

In 2001 vond de onderzoeker Tjalling Halbertsma in Binnen-Mongolië een aantal van de stenen waarvan de afdrukken nu in het museum te zien zijn en sinds 2003 documenteert hij met steun van de Leidse Hulsewé-Wazniewski Stichting deze stenen door er wrijfprenten en foto's van te maken.
Wrijfprenten worden gemaakt door vellen papier op de stenen inscripties te drukken, waarna het papier met inktkussens zwart wordt gemaakt. Alleen het papier dat in de inscripties is gedrukt, blijft wit en zo ontstaat er een 'positieve' afdruk.
Het verhaal van de vroege christenen en de geroofde graven in China vertelt Tjalling Halbertsma in zijn boeken 'De verloren lotuskruisen' (Altamira-Becht 2002) en 'Steppeland' (Dominicus 2003), ook verkrijgbaar in de museum boekwinkel.

Top


Trouw: Kruis op lotusbloem gered vóór rovers

donderdag 6 mei 2004

 

Michel Dijkstra

Tjalling Halbertsma, politiek adviseur van de premier van Mongolië, probeert in een race tegen de klok christelijk-Chinese grafmonumenten te redden. Hij exposeert zijn vondsten in Leiden. ,,Ik blijf een buitenstaander.”
Kruisen geplant op boeddhistische lotusbloemen. De maan met een konijn erin die het elixer van onsterfelijkheid brouwt. Draken met vlammende klauwen waarin opnieuw kruisen staan. Onderzoeker Tjalling Halbertsma is gefascineerd door deze Chinese grafmonumenten. Hij exposeert de 'verloren lotuskruisen' sinds een week in het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden.
Halbertsma (1969) ziet de grafmonumenten als een ontmoeting tussen Oost en West. De sinoloog kwam via zijn Chinese consultancybureau in contact met de Mongoolse oppositieleider Enkhbayar. Halbertsma werd in 2000 zijn adviseur; Enkhbayar is nu premier.
Halbertsma: ,,Sommige mensen beschouwen de grafstenen als de getuigenis van een multiculturele, tolerante samenleving. Volgens mij is het puur pragmatisch, het is een manier van bruikleen, een uitdrukkingswijze van westerlingen die hun geloof naar China brachten.”
De vermenging van beelden verhelderde niet alleen, maar leverde ook verwarring op. Halbertsma denkt dat deze verwarring bijdroeg aan de ondergang van dit Chinees getinte christendom.
De eerste christenen kwamen omstreeks de 5de eeuw, na het Concilie van Efeze, naar China. Het waren leden van de Nestoriaanse Kerk, een genootschap dat door het Concilie uit de moederkerk werd gezet en naar het Oosten verbannen.
De nestorianen gingen snel ten onder, maar de Mongoliërs brachten het geloof omstreeks de 12de eeuw terug. Veel belangrijke mensen, zoals de moeder van de beroemde keizer Kublai Khan, waren christenen.
Het materiaal dat Halbertsma onderzoekt komt voornamelijk uit de 12de en 13de eeuw, de bloeitijd van de Mongoolse overheersing.
In de 14de eeuw verdreven de Chinezen de bezetters weer uit hun land. Ze hervatten de bouw van de Grote Muur, die aan invallen voor altijd een einde moest maken. Vanaf die tijd weerde men alles wat met de Mongoliërs te maken had, dus ook het christelijk geloof.
Halbertsma: ,,De meeste mensen kennen de nestorianen niet. Ze denken dat de christenen pas in de 16deeeuw, met de missies van de jezuïeten, in China kwamen.”
De mooiste steen die Halbertsma in Binnen-Mongolië vond, bevat drie schriften: Chinees, Syrisch en Uigur (een oude Chinese streektaal). Ook staan er symbolen op: een kruis met een lotusbloem, de zon en de maan waarin het taoïstische konijn is te zien dat het elixer van onsterfelijkheid brouwt.
Halbertsma: ,,We hebben de steen nog niet vertaald, maar de symbolen zijn even interessant als de teksten. Ik maak nu het source book voor de steen, ik orden de bronnen.” Eind dit jaar verschijnt Halbertsma's overzicht in een sinologisch tijdschrift, samen met een wrijfprent. ,,Dan kunnen deskundigen uitzoeken wat er precies opstaat.”
De steen is niet in het Leidse RijksdeVerdiepingprent. museum te zien, want Halbertsma's wrijfprent ligt nog in China. Hij wil nog een paar nieuwe, betere afdrukken maken.
De tentoonstelling 'De Verloren Lotuskruisen' (naar Halbertsma's gelijknamige boek uit 2002) bestaat uit fotografie en wrijfprenten. 'Fotografie'
valt weer in drie segmenten uiteen. Eerst wordt het Mongoolse landschap met zijn inwoners getoond. Er zijn ook foto's van de grafmonumenten in hun natuurlijke omgeving. Tweede thema is het gebruik van de stenen als bouwmateriaal van de boeren, derde thema is grafroof.
Halbertsma's gezicht betrekt als hij over grafroof spreekt. ,,De boeren hebben respect voor de graven, maar rovers die uit zijn op goud, munten en porselein niet. Het antiek dat in onze westerse winkels ligt, is met geweld uit het Oosten gestolen. Regelmatig sta ik in Mongolië bij lege graven. De schedels en de botten gooien de plunderaars gewoon naar buiten.”
Omdat steeds meer grafmonumenten onherstelbaar beschadigd worden, is Halbertsma's werk een race tegen de klok. Het documentatieproject wordt sinds 2003 gesteund door de aan de Universiteit Leiden verbonden Hulsewé-Stichting, die ook de tentoonstelling mogelijk maakte.
Het tweede deel van de Leidse expositie bestaat uit wrijfprenten, die Halbertsma sinds 2001 regelmatig maakt in Binnen-Mongolië. Het gebied valt onder de Volksrepubliek China en hoewel het formeel is afgesloten, kost het in de praktijk niet veel moeite om erbinnen te komen.
De eerste keer ging Halbertsma met legerkaarten uit de jaren dertig, waarop de grafmonumenten stonden aangegeven. De meeste stenen vond hij echter niet in het veld, maar bij boeren die ze gebruikten als fundament voor hun huizen.
Voor het maken van een wrijfprent reinigt de drukker eerst de steen en voelt of die op de juiste temperatuur is. Is de steen te koud, dan vloeit de inkt niet en droogt het papier slecht. Vervolgens brengt de drukker met een borstel een nat papier aan, waarover hij voorzichtig een inktkussentje slaat. De letters blijven wit, waardoor, in tegenstelling tot de westerse drukkunst, zowel steen als afdruk direct te lezen zijn.
Volgens Halbertsma is deze Chinese drukkunst veel ouder dan de westerse.
Op de expositie zijn, behalve inktkussens en borstels, vijf wrijfprenten te zien die het verhaal vertellen over de vermenging van het christendom met het taoïsme, boeddhisme en godsdiensten uit het Midden-Oosten. Alle wrijfprenten worden voor het eerst in Europa tentoongesteld.
Halbertsma ziet in de grafmonumenten een beeld van zijn eigen situatie. ,,De eerste tijd dat ik in Mongolië woonde, probeerde ik mij vooral aan te passen. Nu voel ik me meer een geinteresseerde buitenstaander. Dat ervaar ik als bevrijdend. Het kan onpraktisch zijn om elkaar steeds krampachtig proberen te vinden. Het kan ook helemaal mislopen. Elkaar niet vinden is jammer, maar niet altijd een probleem.”


'De verloren Lotuskruisen, wrijfprenten en foto's van Chinese grafstenen', galerijtentoonstelling tot 9 januari 2005, Rijksmuseum voor Volkenkunde, Steenstraat 1 Leiden, 071-5168800. Van Tjalling Halbertsma verschenen 'De verloren lotuskruisen' (Altamira-Becht, 2002) en 'Steppeland' (Dominicus, 2003).

Top


Leidsch Dagblad: Verloren Lotuskruisen en wrijfprenten

21 april 2004


Ad van Kaam


Onder de curieuze titel Verloren Lotuskruisen en wrijfprenten [sic] vertelt de onderzoeker Tjalling Halbertsma het verhaal van eeuwenoude grafstenen die hij aantrof in China en Mongolië.

Hij doet dit aan de hand van een kleine galerijtentoonstelling in het Rijksmuseum voor Volkenkunde en in twee boeken die hij in de afgelopen jaren over dit onderwerp publiceerde.
De graven dateren uit de dertiende eeuw toen een kleine groep volgelingen van de zogenaamde Kerk van het Oosten het verre Mongolië en China binnentrok. De stenen van de christenen, met daarop afgebeeld boeddhistische lotusbloemen, zijn nauwelijks nog terug te vinden op de oorspronkelijke begraafplaatsen. Wél op boerenerven. Dat komt omdat in het steppegebied, waar weinig groeit en bouwmateriaal derhalve schaars is, elk stuk steen een kostbaar goed is. Boeren verzamelden de stenen en gebruikten ze in de fundamenten en muren van hun huizen.
Een ander lot dat deze graven trof, was plundering en roof. Met name in de vorige eeuw was dat schering en inslag. Grafrovers verkopen zelfs vandaag de dag nog muntjes, porselein en andere grafgiften aan langstrekkende handelaren. Ook boeren en herders plunderden de graven om te kunnen voorzien in hun schamele bestaan. Veel historische informatie over de Chinese Kerk van het Oosten is zodoende verloren gegaan.
In 2001 vond de onderzoeker Tjalling Halbertsma een aantal van deze stenen op boerenerven. Hij maakte er foto's en zogenaamde wrijfprenten van. Deze prenten worden gemaakt door vellen papier op de stenen inscripties te drukken, waarna het papier met inktkussens zwart wordt gemaakt. Alleen het papier dat in de inscripties is gedrukt blijft wit. Zo onstaan er 'positieve' afdrukken, als een soort stempels. Daarop te zien zijn christelijke symbolen als kruisen en wijnranken naast Chinese draken en wolkenpartijen en boeddhistische lotusbloemen. Een bijzondere iconografische mengelmoes.


Over de vroege christenen en hun geroofde graven in China publiceerde Halbertsma twee boeken. 'De Verloren Lotuskruisen' en 'Steppeland' zijn verkrijgbaar in de boekwinkel van het museum.

 

De Verloren Lotuskruisen en wrijfprenten - van 23 april t/m 9 januari. Galerijtentoonstelling Rijksmuseum voor Volkenkunde, Steenstraat 1 Leiden.

Top


de Volkskrant: Vroege christenen in China

23 april 2004

Het Rijksmuseum voor Volkenkunde biedt een overzicht van wrijfprenten en foto's van Chinese grafstenen uit de dertiende eeuw. Deze vormen een interessante mix tussen christelijke en Chinese kunst.

Grafstenen zijn prima te gebruiken voor de versteviging van de muur van een woning, wisten Mongoolse en Chinese boeren. Zij gebruikten restanten van graven uit de dertiende eeuw voor hun huizen. De graven zijn gemaakt door volgelingen van de Kerk van het Oosten, die in de dertiende eeuw China en Mongolië binnentrokken. Het Rijksmusem voor Volkenkunde toont wrijfprenten en foto's van de eeuwenoude grafstenen.

Uit de vondsten, gedaan door onderzoeker Tjalling Halbertsma, blijkt hoe verschillende kunstzinnige geloofsuitingen door de volgelingen van de Kerk van het Oosten werden vermengd. Boeddhistische lotusbloemen, christelijke symbolen als kruisen en wijnranken zijn gebruikt naast typisch Chinese draken en wolkenpartijen.

De restanten van de graven lopen gevaar, aldus het museum. Steeds meer graven worden geroofd door professionele plunderaars.

 

De verloren Lotuskruisen, wrijfprenten en foto's van Chinese grafstenen. Rijksmuseum voor Volkenkunde, Steenstraat 1, Leiden. Tot en met 9 januari 2005. Meer informatie: www.rmv.nl

Top


NRC Handelsblad: Kruisen in de Gobi

13-12-2003 Wetenschap en onderwijs

 

Hendrik Spiering

 

NESTORIANEN STICHTTEN OPMERKELIJKE MENGCULTUUR IN BINNEN-MONGOLIË

Overblijfselen van de middeleeuwse Nestorianen in Binnen-Mongolië zijn in rap tempo aan het verdwijnen. Tjalling Halbertsma inventariseert als een der weinigen wat er nog resteert.

 

HET IS EEN verloren wereld. Van het middeleeuwse rijk van de Öngöt in Binnen-Mongolië – onder de vleugels van het Chinese keizerrijk van Kublai Khan en zijn opvolgers – zijn alleen nog wat grafstenen over, met intrigerende christelijk-Nestoriaanse kruisen van de vele Öngöt-christenen. Het nestoriaanse christendom is een afscheiding van het katholicisme in de vijfde eeuw, en werd vooral populair in Centraal-Azie. Nu en dan wordt in de Gobi-woestijn een ruïne van een verlaten Öngöt-stad gevonden. De Turkse taal van dit overigens in meerderheid islamitische volk, geschreven in Syrische letters, is wel ontcijferd, maar veel inscripties zijn nog altijd onvertaald. Maar één man is vastbesloten de opmerkelijke mengcultuur (christelijk-Chinees-Turks-Mongools) uit de dertiende en veertiende eeuw aan de vergetelheid te ontrukken.

``Bijna niemand houdt zich bezig met het verzamelen van nieuw materiaal over deze cultuur'', vertelt de Nederlander Tjalling Halbertsma, consultant te Peking èn sinds een paar jaar persoonlijk adviseur van de premier van de Republiek Mongolië (een onafhankelijk land ingeklemd tussen Siberië en China). Halbertsma, opgeleid als antropoloog en jurist, was vorige maand even in Nederland voor de presentatie van zijn nieuwe bundelreisverhalen (Steppeland. Berichten uit Mongolië, Hollandia/Dominicus). Ook maakte hij afspraken over zijn komende proefschrift over de Öngöt bij de Leidse hoogleraren Maghiel van Crevel (Chinese literatuur) en Barend ter Haar (Chinese geschiedenis). ``De vraag is natuurlijk: hoe passen de Öngöt in de Centraal-Aziatische cultuur? Hoe bijzonder is deze iconografie?''

Halbertsma (1969) raakte geïnteresseerd in de Öngöt toen hij in 2000 in een antiquariaat in Peking stuitte op een tijdschrift met schetsen van Bettina Lum, een Amerikaans vrouw die in 1936 door Binnen-Mongolië had rondgetrokken. Ze kwam terug met een schetsboek vol lotusbloemen en kruisen. In het tijdschrift stonden keurig de vindplaatsen vermeld, met kaartjes en al. Ook bleken Japanse expedities in de jaren dertig materiaal te hebben verzameld. In 2001 trok Halbertsma er zelf op uit. En al snel kreeg hij een subsidie van de Leidse sinologische Hulsewé-Wazniewski-Stichting om zo veel mogelijk stenen te inventariseren. ``Het gaat nu vooral om inventarisatie, voordat de stenen echt verloren gaan'', zegt Halbertsma. ``De interpretatie komt later.'' Volgend jaar komt er een tentoonstelling in Leiden.

Bloeitijd

In zijn boek De verloren lotuskruisen (Altamira-Becht 2002) vertelt Halbertsma over de lotgevallen van het christendom in China: de eerste bloeitijd onder de tolerante Tang-dynastie (618-907), de verdwijning daarna en de terugkeer onder de Mongoolse Yuan-dynastie (1271-1368). ``Kublai Khan had een nestoriaanse moeder en er ontstond weer een tolerante sfeer voor de christenen.'' In zijn recent verschenen Steppeland. Berichten uit Mongolië (Hollandia-Dominicus 2003) doet Halbertsma vooral verslag van zijn belevenissen in Mongolië. De hoofdstad Ulanbator bestaat nog altijd voor meer dan de helft uit grote tenten, de beroemde Mongools ger. Binnen-Mongolie wordt echter in hoog tempoChinees, op iedere autochtone Mongool wonen er nu al 8 Chinezen. Halbertsma reist vaak vanuit Peking naar Ulanbator via Binnen-Mongolië, om te kijken wat er nog over is van de oude culturen. ``Formeel is het gebied nog altijd gesloten voor buitenlanders, maar als je voorzichtig bent krijg je geen problemen.''

Onlangs achterhaalde Halbertsma een bijzondere grafsteen die in 1982 in de Gobi-woestijn is gevonden, met drie teksten in het Chinees, Syrisch en een Uigur schrift. ``Nooit vertaald, nooit gepubliceerd, terwijl het toch een soort steen van Rosetta is.'' De steen bleek te worden bewaard in het Cultureel Erfgoed Bureau in de hoofdstad van Binnen-Mongolië, Hohnot (`de Blauwe Stad'). Niet lang na het gesprek in Nederland stuurt Halbertsma vanuit Ulanbator een email dat hij al weer even in Binnen-Mogolië is geweest en eindelijk een wrijfprent heeft kunnen maken van de `Rosetta'-steen. De studie kan eindelijk beginnen.

De steen werd gevonden in een verlate stad in de Gobi, die nu in het Mongools Olon Sume In Tor wordt genoemd: `stad met de vele ruïnes'. Resten van vier kilometer lange stadsmuren geven het belang aan van de stad, die verdween toen een naburige rivier verzandde. De echte naam is vergeten. Deze stopplaats voor karavanen is in de dertiende eeuw gesticht (op de plaats van een oudere stad) door de Öngöt-koning Guo Liguse, die zich bekeerd had tot het Nestoriaanse christendom. Guo Liguse is de Chinese transcriptie van George – een echt christelijke naam. In Olom Sume In Tor zijn ook resten gevonden van een kerk met gothische invloeden.

Lyrisch beschrijft Halbertsma de bijzondere iconografie op de steen met de tekst in drie talen, typisch voor de Öngöt-gebied. ``Hier, een typisch boeddhistische lotusbloem, maar nu met een Nestoriaans kruis erin, en onder een echt klassiek Chinese wolkenpartij. Vaak zie je er ook nog een Chinees altaartafeltje bij, met draken die alles vasthouden. Of kijk hier: dit zijn toch typisch Romeinse wijnranken, met een Nestoriaans kruis. Toen ik deze foto in het British Museum aan deskundigen liet zien, vonden ze het treffend dat dit zo ver naar het oosten was aangetroffen. Aan de westrand van China zie je wel meer van dit soort vermengingen. Je ziet op de Nestoriaanse stenen ook vaak een golfmotief waarmee in Mongolië en Noord-China nog altijd meubels, tapijten en andere objecten versierd worden. Dit is dus mijn fascinatie.''

Koopman

Het Turkse volk van de Öngöt is groot geworden in het kielzog van de Mongolen. Halbertsma: ``Zij waren een van de eerste volkeren die trouw zwoeren aan Djengis Khan, begin dertiende eeuw.'' Nu kijkt in China vrijwel niemand nog om naar hun geschiedenis. ``Ja, er is een koopman in Hohnot, die verzamelt gouden kruizen. En er is Wei Jian, verbonden aan het Cultural Relics Bureau in Hohnot. Dat bureau doet wel reddingsopgravingen als stenen of graven verloren dreigen te gaan. Wei verzamelt ook wrijfprenten (rubbings) van christelijke grafstenen. Maar ik heb vele andere gedocumenteerd die ik gevonden heb in het veld en in boerenhuizen waar ze als bouwmateriaal zijn gebruikt.''

Halbertsma heeft er ongeveer veertig. ``Ik neem nooit een steen mee.'' Er is nog altijd veel te vinden. De grote stenen blijven in het dun bevolkte gebied lang liggen en ze zijn meestal te zwaar om te roven. ``Alhoewel, ik zag pas een steen in een antiekwinkel in Hohhot liggen die ik in 2001 nog in het veld had gezien. Vooral in periodes van langdurige droogte, zoals nu, zijn grafroof en illegale archeologie populair als bijverdienste in Binnen-Mongolië. Ik praat regelmatig met dat soort plunderaars. Je komt ze toch tegen en ze zien me niet als concurrent. Maar informatie geef ik ze niet, natuurlijk. Ze doen hun research trouwens voortreffelijk.''

Top


Reformatorisch Dagblad: Muren van getuigenissen in China

Donderdag 7 october 2004

 

Ab Jansen

 

Oude graven van Nestoriaanse christenen worden gebruikt als bouwmatriaal

 

AMSTERDAM – Oude graven van christenen in Binnen Mongolië (China) vind je steeds vaker als bouwstenen voor huizen, of als decoratie van boerderijen. Een jonge Nederlandse sinoloog struint het gebied af om het verleden van deze eerste christenen in China in kaart te brengen.

Begraafplaatsen en grafzerken zijn de belangrijkste onderzoeksobjecten van de Nederlander Tjalling Halbertsma. De in de republiek Mongolië woonachtige Halbertsma, die tot voor kort adviseur was van de premier van Mongolië, pleegt zijn vrije tijd door te brengen in de barre woestijngebieden van Binnen Mongolië, China’s autonome regio in het noordwesten. Daar zoekt hij naar restanten van wat wel wordt genoemd “de Kerk van het Oosten”, de eerste christenen die in China voet aan wal zetten.
China en christendom mogen dan vanouds een onmogelijke combinatie zijn, oude papieren heeft de Chinese kerk wél. Als volgelingen van de Syrische bisschop Nestorius werden de nestorianen met hem op het Concilie van Efeze in 431 tot ketters verklaard, omdat in hun leer de menselijke natuur van Christus teveel wordt benadrukt. Maar vanuit het toenmalige Perzië begonnen ze vervolgens een nieuw leven, en onder leiding van de monnik Aluoban zelfs aan een opmars richting China.
De Kerk van het Oosten kwam in twee afzonderlijke perioden China binnen. De eerste was tijdens de Tang dynastie, van 618 tot 907 na Chr. De tweede was ten tijde van de Yuan dynastie, 1260 1368, dat is de periode waarin de Mongoolse legers China in hun greep hadden.
Binnen Mongolië, met zo’n 23 miljoen inwoners (waarvan slechts 20 procent autochtone Mongolen zijn, het merendeel zijn import Chinezen), is het gebied waar Halbertsma zijn verzameling grafzerken bijeen vergaart. Hij trof er materiaal aan dat „nog nooit” was aangeroerd. „De laatste keer dat onderzoekers zich ermee bezig hielden was in 1920. Daarna was het gebied vrijwel ontoegankelijk: Japan viel China in de jaren ’30 binnen, en aan het eind van de jaren ‘40 werd de Communistische Volksrepubliek opgericht, waarna de toegang tot het gebied sowieso werd geweigerd. Tot op vandaag is het formeel nog altijd voor buitenlanders gesloten (en alleen met officiële toestemming te bereizen).
Uit materiaal dat Halbertsma heeft verzameld blijkt heel sterk dat de Nestoriaanse christenen meesters waren in het zich aanpassen aan de lokale situatie. Om voet aan de grond te krijgen moesten ze wel, zegt hij. „Van een kruis begreep een chinees niets, en bovendien gold dat goden overwinnaars waren; die worden niet als misdadigers aan een kruis gespijkerd. In de eerste vroege teksten kom je dan ook geen kruisiging tegen: Jezus wordt in een boom opgehangen”.
De teksten zijn eigenlijk een opsomming met verklaringen van waar het christelijk geloof –„jing jiao”, de religie van het licht”– overgaat. Men moest in ieder geval aan de Chinese keizer kunnen aantonen dat „de nieuwe leer” in overeenstemming was met de „dao” de weg van het taoïsme, want alleen dán kreeg men toestemming om kerken te bouwen.

Kruis en lotus
De motieven op de graven zijn één en al uiting van dit syncretisme. Zo zijn de kruisen gegraveerd in lotusbloemen, of onder parasols –beide gebruikelijke symbolen in het boeddhisme. Of er staan lantaarnvenstertjes op, geleend uit het Midden Oosten, met wolkenpartijen eromheen, en dat verraadt weer een taoïstische invloed”. Soms worden op graven meerdere schriften en talen gebruikt. „Onlangs nog kwam ik een steen tegen met een tekst in het Chinees, in het Syrisch en in het Oeigoers. In navolging van de Mongoolse veroveraars onder Djengis Khan, bevond het chinese christendom zich duidelijk op een kruispunt van culturen, die zich ook nog eens in korte tijd met elkaar versmolten, maar die vervolgens –in een periode van 100 jaar– weer van het toneel verdwenen.
Op het hoogtepunt van het Chinese nestorianisme gingen zelfs twee Nestoriaanse christenen uit China op audiëntie bij de paus en bij de koning van Engeland. In westerse bronnen staat hun komst vermeld. Zeven eeuwen eerder kwam de eerste buitenlander in China aan, en ook hij was een christen. „In de 7e eeuw bezoekt een Syrische man de keizer en die stelt zich voor als Nestoriaan”.
Het Chinese nestorianisme is evenwel geen lang leven beschoren. Op het moment dat de Mongoolse overheesers worden verdreven, wordt ook korte metten gemaakt met alle buitenlandse invloeden, inclusief het nestoriaanse christendom. Pas met de komst van de Jezuïten in de 16e en 17e eeuw zet het christendom opnieuw voet op Chinese bodem. Zij gebruiken de nestoriaanse sporen als „bewijs” dat het christendom in China oude papieren heeft. Halverwege de 18e eeuw komt de invloed van de jezuïten ten einde omdat de paus niet langer hun aanpassingsstrategieën (acceptatie van de voorouderverering!) wenste te dulden. Van de weeromstuit slaat de keizer terug door het jezuïtenwerk tot ongewenste activiteit te verklaren.
Halbertsma bouwt het proefschrift dat hij over “de Kerk van het Oosten” wil schrijven op rond twee thema’s. „Het eerste betreft de ordening van de bronnen, met vragen als: welk materiaal is er nog en wat staat erop? Het tweede gaat in op de vraag hoe al dat materiaal nu opnieuw wordt gebruikt door de plaatselijke bevolking”.
Dat laatste is bepaald geen bijkomstige kwestie, omdat de graven de afgelopen jaren in rap tempo zijn geruimd. „Er zijn heel veel Han Chinezen die zich in Binnen Mongolië als migranten hebben gevestigd en die zijn naarstig op zoek naar bouwmateriaal voor hun woningen en boerderijen. Veel boeren gebruiken de grafstenen ook als decoratie van hun huizen”.

Bulldozers
En dan is er nog de commerciële grafroof, waarbij boeren hun geplunderde waar doorverkopen aan antiekhandelaren. Ook dat gebeurt nu op grote schaal en dat houdt verband met de natuurrampen van de afgelopen jaren. Halbertsma: „Boeren hebben drie extreem koude winters achter de rug (zogenaamde Dzud winters), waardoor ze hun oogsten verloren zagen gaan, en herders hun veestapel kwijtraakten. Om toch inkomsten te hebben slaan ze massaal aan het roven van graven, waarbij de lokale overheid de andere kant opkijkt – burgers moeten nu eenmaal geld hebben om te leven”.
Voor grafstenen gaat Halbertsma al lang niet meer alleen naar graven; ook boerderijen en dorpen worden afgestruind op materiaal dat in muren of in stoepen is verwerkt. Een bezoek aan antiekwinkels in Peking, Sjanghai of Hongkong loont ook de moeite. Regelmatig zijn commerciële grafrovers hem in het veld te snel af en moet hij knarsetanden toezien hoe een graf met behulp van bulldozers wordt omgewoeld.
Treft hij een belangwekkende steen aan, dan worden er foto’s of een wrijfprent van gemaakt – bij dat laatste wordt een vel papier op de steen gelegd, waarna er met inkt overheen wordt gewreven. Wat overblijft is een afdruk van de inscripties en van de ingegraveerde figuren.
In samenwerking met de Leidse Hulsewé stichting –die het benodigde geld beschikbaar stelt– heeft Halbertsma inmiddels een collectie van 40 gedocumenteerde grafstenen bijeengebracht, met nog eens 40 objecten die daarmee verband houden, zoals documentatie over grafkelders, over kruisen en tegels (met afdrukken van handen erin). Daarmee behoort de Leidse verzameling tot de grootste ter wereld.
De vroege geschiedenis van de Chinese kerk overziend zou je kunnen zeggen dat telkens het dilemma is geweest: aanpassen of opkrassen. Staan de huidige christenen in China niet voor hetzelfde probleem? Halbertsma wijst erop dat de Chinese autoriteiten sowieso altijd de buitenlandse contacten van gelovigen hebben geprobeerd af te snijden. „Zoals er nu ook voor het eerst vrouwelijke imams (!) in China zijn. Dat heeft niets met tolerantie van vrouwen te maken, maar alles met het creëren van een Chinese islam, die al zijn banden met het buitenland verliest (cq verspeelt)”. Bij de officiële kerk van China (de zogenaamde Driezelfkerk) met haar exclusief Chinese liturgie is het niet anders. Er is duidelijk ook sprake van angst bij de autoriteiten voor religie, en dat is volgens Halbertsma omdat vrijwel alle Chinese dynastieën omver zijn geworpen door een religieuze revolte. „Godsdienst is gevaarlijk voor de bazen in Peking”.

Ondergrondse kerk
Vergeleken met de nestoriaanse christenen, met hun vérgaand aanpassingsgedrag, vertoont de huidige ondergrondse kerk van China een wel erg on Chinese opstelling door zich juist tégen de staat te keren. Halbertsma denkt dat er iets anders aan de hand is. Het Bureau voor Religieuze Zaken –een eeuwenlang bestaand overheidsinstituut dat zich diepgaand bemoeid met het godsdienstige leven van burgers– wordt sinds de communisten aan de macht zijn door atheïsten bemand, en dat is uniek in de Chinese geschiedenis. „Dan kan ik me goed voorstellen dat christenen zich daar niet aan willen onderwerpen”.

Top