| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
![]() |
Trouw: Zoeken naar verloren beschaving (interview)
Trouw: Jezus opgehangen in een boom Maghiel van Crevel
Verbiest Koerier: De Chinese Kerk van het
Oosten
Volkskrant: Een engel met een Chinees gezicht
Motief: Interview Tjalling Halbertsma Leonard Beuger
NRC Handelsblad: Kruisen in de Gobi (interview)
2002 A.J. Jelsma
Groene Amsterdammer: Zoeken naar Christenen in
China; Interview Tjalling Halbertsma
|
18 mei 2002
Maghiel van Crevel
Tjalling Halbertsma's zoektocht naar sporen van vroege christenen in China
beperkt zich niet tot bibliotheken en archieven, maar omvat ook letterlijk
speur- en graafwerk in Chinese en Mongoolse woestijnen. De belezen onderzoeker
speurt zelf rond in Pekingse antiquariaten maar heeft ook het lef zonder pasjes
verboden terrein te betreden en als het zo uitkomt over een hek te klimmen
om zijn schitterende foto's te maken. En hij ziet anderen speuren en graven.
Soms zijn dat geleerden, soms ontdekkingsreizigers annex koloniale verzamelaars,
en soms wetenschappelijk onderlegde grafrovers. China en Mongolië zijn
schatkamers voor de archeoloog, of het nu millennia oude filosofische teksten
op bamboelatjes betreft, of gestileerde, metershoge bronzen maskers uit plaatselijke
culturen van vóór het keizerrijk, of -Halbertsma's hartstocht-
de christelijke Kerk van het Oosten. Die kent in de Tang- en Yuan-dynastieën
(618-907 en 1260-1368), mede als uitvloeisel van de nederlaag die de 'Nestorianen'-leden
op het concilie van Efese (431), een veelbewogen geschiedenis in China.
Het wel en wee van de Kerk van het Oosten is een voorbeeld van dynamiek in
de ontmoeting van culturen: uiteindelijk religieuze vervolging van de een
door de ander, maar eerst een redelijk succesvolle, cross-over-achtige leer
die ontstaat als het christendom een plaats verovert in China. Om die verenigbaar
te maken met 's keizers wereldbeeld blijft de kruisiging, in China onbekend,
bijvoorbeeld achterwege en wordt Jezus opgehangen in een boom. Verder worden
begrippen en beelden uit taoïsme en boeddhisme geleend, en ontstaan aldus
de 'lotuskruisen': symmetrische kruisen, vaak omgeven door lotusbloemen, wolken
en parels. Het mooist is de trompetterende engel die de Mongoolse khan een
gevangen genomen Parijse zilversmid liet maken en die nu nog Mongoolse bankbiljetten
siert. Halbertsma heeft een lezenswaardig boek geschreven, dat de mens met
de neus drukt op de waarde van zijn culturele erfgoed: dat hij schept, en
dat hij vernietigt.
28-06-2002, Cicero Recensie
Jan van der Putten
OF MARCO POLO in China is geweest, is niet geheel zeker, maar als hij er wel geweest is, was hij zeker niet de eerste christen in het Rijk van het Midden. In 635, ruim zes eeuwen voor de legendarische reis van de Venetiaan, bracht een vergeten Perzische monnik, Aluoben geheten, het christendom naar China. En hoogstwaarschijnlijk zijn al in de vijfde eeuw onbekende christenen hem voorgegaan.
Over de eerste christenen in China en de 'verchinesing' van hun geloof gaat het boek De verloren lotuskruisen van de Nederlander Tjalling Halbertsma, jurist, antropoloog, ontdekkingsreiziger en adviseur van de huidige premier van Mongolië. Hij weet waarover hij schrijft: hij herontdekte de eerste christelijke kerk in China en legde in de Gobiwoestijn sculpturen bloot waarop christelijke en Chinese motieven tot één geheel verweven zijn.
Tot voor kort ging China door voor een potdicht land. Buitenlanders waren niet welkom, tenzij als schatplichtigen van de keizer of als fellow travellers van het communisme. In diverse periodes heeft dit beeld niet geklopt met de werkelijkheid. Op commercieel en vooral religieus gebied heeft China tijden van grote openheid gekend.
Slechts twee godsdiensten zijn authentiek Chinees: het taoïsme en het confucianisme, dat misschien eerder een levenshouding dan een godsdienst is. Alle andere religies waren import. In zekere zin was het boeddhisme zelfs een dubbel importproduct: uit India en uit Griekenland.
Halbertsma wijst erop dat vóór de veroveringstocht van Alexander de Grote de Boeddha in Midden-Azië vrijwel uitsluitend indirect werd afgebeeld: de afdruk van zijn voetstappen, het paard waarop hij als prins Gautama wegvluchtte. Na Alexander kreeg hij in de kunst een Grieks gezicht en een Grieks lichaam. In die hellenistische gedaante is de Boeddha China binnengekomen.
Al vroeg wisten volgelingen van Zarathoestra, Mani (de manicheïsten), Christus en Mohammed de weg naar Centraal-Azië en China te vinden, ook joden - al in de tiende eeuw -, en later ook Arabische handelaren en katholieke missionarissen. Al deze immigranten hebben hun sporen nagelaten in de Chinese iconografie, en sommigen - moslims en joden - ook in de bevolking.
De monnik Aluoben was een aanhanger van de Kerk van het Oosten, die teruggaat op de Syrische bisschop Nestorius. Deze werd op het Concilie van Efeze in 431 verketterd vanwege de nadruk die hij legde op de menselijke natuur van Jezus. Nestorius werd verbannen naar Egypte, maar daarmee was zijn leer nog niet verdwenen.
Het centrum van de Kerk van het Oosten werd Perzië, waar de pelgrimstocht van Aluoben naar China begon. In de Chinese hoofdstad Changan, het huidige Xi'an, vroeg hij de keizer verlof om zijn godsdienst te verkondigen. Dat kon alleen als de keizer de nieuwe leer in overeenstemming zou bevinden met de dao, de 'weg' die het leidende beginsel is van het taoïsme (of daoïsme).
Daartoe vertaalde Aluoben teksten van de Kerk van het Oosten in het Chinees. Een letterlijke vertaling was het allerminst. Het was eerder een aanpassing van de christelijke doctrine aan de Chinese gedachtewereld. Met confucianistische, taoïstische en boeddhistische beelden probeerde hij de leer begrijpelijk en aanvaardbaar te maken. God noemde hij fo, het Chinese woord voor de Boeddha. De eerste tekst die hij de keizer voorlegde, heette veelbetekenend De Jezus Messias-soetra.
Ditzelfde syncretisme zou duizend jaar later gebruikt worden door de jezuïeten. Zij begrepen dat een godsdienst zonder voorouderverering, essentieel in het Chinese religieuze denken, in China weinig kans zou maken. Daarom stelden ze voor de vooroudercultus op te nemen in de Chinese versie van het christendom. Maar voor de paus was deze heterodoxe verrijking van de leer onaanvaardbaar. Daarmee was de mislukking van de missie van de jezuïeten in China bezegeld.
Aluobens versie van het christendom kreeg de Chinese naam jing jiao, de 'stralende religie'. Ze kon de toets van de nestoriaanse leer zeker niet doorstaan, maar detoneerde niet in de Chinese religieuze wereld, en daar ging het om. In 638 besliste de keizer dat de leer van Aluoben niet in strijd was met de dao en in het Chinese rijk verspreid mocht worden. De monnik en 21 volgelingen kregen een stuk land in Changan toegewezen om er een kloosterkerk te bouwen. De kerstening van China kon beginnen.
Bijna anderhalve eeuw later schreef een Perzische priester, met de Chinese naam Jingjing, een tractaat over de 'stralende religie', die intussen in China een grote vlucht had genomen. Deze tekst, uitgebeiteld in de zogeheten Stèlè van Da Qin, wordt bewaard in het tempelmuseum van Xi'an. Ze wemelt van de ontleningen en aanpassingen aan taoïsme en boeddhisme, zoals de principes van de dao, de qi (levensadem) en het yin-yang. Omdat kruisiging in China niet bestond, ontbreekt Jezus' kruisdood. Over zijn opstanding wordt vrijwel niet gesproken.
Een aantal Jezus-soetra's - Chinese manuscripten van de Kerk van het Oosten -, is begin vorige eeuw teruggevonden in een grottenklooster in de Taklamakan-woestijn in West-China. Daaronder waren teksten die door Jingjing en misschien door Aluoben zelf waren geschreven. Hoe Chinees hun geloofsgoed was geworden, komt ook tot uiting in de vroegste christelijke kunst in China.
In de Lop Nor-woestijn in het verre westen vond de Engelse ontdekkingsreiziger Aurel Stein in 1907 de oudste christelijke voorstellingen van China: de 'engelen van Miran', waarschijnlijk daterend uit de vijfde eeuw. Het zijn twee fresco's van een gevederde engel met een Chinees gezicht, gesigneerd met de Romeinse naam Titus.
De oudste christelijke kerk van China, de pagode van Da Qin in de provincie Shaanxi, is versierd met christelijk-boeddhistische kleisculpturen. In het gewelf onder de pagode kunnen nog onvermoede schatten worden aangetroffen. In het omliggende terrein deed Halbertsma zelf al interessante vondsten.
Door assimilatie en vervolging ging in China de Kerk van het Oosten praktisch ten onder, maar na de Mongolische verovering in de dertiende eeuw begon een tweede bloei. Dat klopt niet met het vastgeroeste westerse beeld over Mongolische wildemannen wie niets heilig was. Maar het klopt wel met de werkelijkheid: binnen het Mongolische Rijk heerste vrijheid van godsdienst. Verscheidene khans hadden een christelijke moeder. Dankzij hun bescherming kon de Kerk van het Oosten opnieuw floreren.
In 1253 werd de Vlaamse franciscaan Willem van Ruysbroeck als gevangene meegevoerd naar Karakoram, de hoofdstad van het Mongolische Rijk. Hij trof er pagodes, moskeeën en kerken aan en ontmoette veel andere ontvoerde Europeanen en christenen van de Kerk van het Oosten. Allen deden hun voordeel bij de Pax Mongolica.
Mongoliërs willen geen kwaad woord horen over Dzjenghis Khan en zijn opvolgers. Maar premier Enkhbayar gaat in het voorwoord van het boek van zijn adviseur wel erg ver: 'Wellicht kan de religieuze tolerantie van de Mongolische khans als voorbeeld dienen voor het oplossen van de vele problemen in onze huidige complexe wereld.'
Veel christelijke graven zijn geplunderd, hele steden zijn verdwenen onder het woestijnzand. Halbertsma vertelt over zijn speurtochten in de woestijn naar erfstukken van de Kerk van het Oosten. Hij vindt heiligen die afgebeeld zijn als bodhisattva's en kruisen die oprijzen uit lotusbloemen, omgeven zijn door Chinese draken en wolkenpartijen, of versmolten zijn met boeddhistische swastika's.
Ongeveer op hetzelfde moment waarop Marco Polo en zijn vader in Peking aankwamen, vertrok een vooraanstaande christen van de Kerk van het Oosten, Rabban Sauma, naar het westen. In 1287 kwam hij in Napels aan. Hij sprak met de paus en de groten van Europa en vertelde over zijn geloof, waarin Oost en West elkaar hadden gevonden. Voorzover bekend was hij de eerste Chinees die Europa bezocht.
Dat Tjalling Halbertsma gefascineerd is door deze historische Oost-West-ontmoetingen, laat hij nadrukkelijk blijken: woorden als 'fascinerend', 'prachtig', 'wonderlijk' en 'wonderbaarlijk' komen in zijn boek om de haverklap voor. De opbouw is wat rommelig, vooral in de eerste helft, waar de lezer zonder nog van iets te weten heen en weer door de tijd wordt geslingerd. De daardoor noodzakelijk geworden herhalingen hadden met een meer chronologische opbouw vermeden kunnen worden.
Het boek heeft de grote verdienste dat het oude vooroordelen opruimt, lacunes in onze kennis opvult en een typisch thema voor geleerden op een toegankelijke manier behandelt, vaak in de vorm van een reisverslag. Belangrijke kwesties blijven echter buiten beschouwing, bijvoorbeeld de vraag waarom de Kerk van het Oosten in China zo aansloeg. Daarover is een nieuw boek te schrijven, dat ongetwijfeld even fascinerend zal zijn.
Tjalling Halbertsma: De verloren lotuskruisen -Tjalling Halbertsma: De verloren lotuskruisen - Een zoektocht naar de steden, graven en kerken van vroege christenen in China.
Altamira-Becht; 164 pagina's, € 18,50.
ISBN 90 6963 536 4.
Arnulf Camps, ofm
Het is algemeen bekend, dat het Christelijk geloof reeds in 635 na Christus
China bereikte. In alle handboeken van de kerkgeschiedenis kan men dat vermeld
vinden. Er zijn ook specialistische publicities verschenen b.v. over de ste`le
of het grote stenen monument in Xi’an, dat de geschiedenis van dat vroege
Christendom verhaalt. Toch bleven wetenschappers zoeken naar meer gegevens
en met succes.
Twee recente publicaties getuigen daarover. Ze zijn zelfs of in het Nederlands geschreven of erin vertaald. Het gaat om:
Tjalling Halbertsma, De verloren lotuskruisen; een zoektocht naar de steden, graven en kerken van vroege christenen in China, Altamira-Becht, Haarlem 2002 (ISBN 90 6963 536 4), 164 bladzijden.
En: Martin Palmer, De Tao van Christus; de ontdekking van een christelijke beschaving in het oude China, Servire-Kosmos-Z&K Uitgevers, Utrecht 2001, dat uit het Engels werd vertaald: The Jesus Sutras, rediscovering the lost scrolls of Taoist Christianity, The Ballantine Publishing Group, New york 2001 (ISBN 0 345 43424 2), XVI en 270 bladzijden. Alleen de oorspronkelijke Engelse uitgave staat ons ter beschikking.
Beide publicaties gebruiken de uitdrukking: de Kerk van het Oosten. Daarmee
wordt bedoeld het Christendom, dat onder leiding van de monnik Aluoben vanuit
het Midden Oosten in 635 China bereikte. Het is een vorm van het Christendom,
dat tot op de dag van vandaag door Westerse christenen Nestorianisme wordt
genoemd. Nestorius was een uit Syrie¨ afkomstige bisschop van Contantinopel,
die op het concilie van Efese (431 na Christus) werd veroordeeld wegens zijn
leer over de persoon van Jezus de Christus.
Een betere benaming is: de Kerk van het Oosten, die haar zetel had in het
toen Perzi genoemde gebied bij Baghdad, en die zich gestaag uitbreidde naar
het Oosten om in 635 in China aan te komen. In China werd dit geloof de Stralende
Religie genoemd.
De heilige teksten ervan warden door Aluoben in het Chinees vertaald en aan
de keizer voorgelegd. In 638 vaardigde keizer Taizong een edict uit met de
volgende inhoud:
‘’De dao heeft geen onveranderlijke
naam, wijzen hebben geen onveranderlijke
methoden. De leer van de Stralende
Religie is gegrond in het land om allen te
redden, en de Perzische monnik Aluoben
kwam van ver om de heilige teksten naar
de hoofdstad te brengen. De betekenis van
de leer is zorgvuldig bestudeerd: zij is geheimzinnig,
wonderbaarlijk, kalm; zij bepaalt
het leven en de perfectie; zij is de
redding van alle levende wezens, zij is de
rijkdom van de mensheid. Het is daarom
juist dat zij door het rijk verspreid wordt.
Laat de plaatselijke gezagdragers daarom
in het Yi Ning-kwartier een klooster
bouwen met eenentwintig monniken.’’
(Halbertsma 26).
Enkele dingen vallen hierbij op. Allereerst, Aluoben had heel goed de Chinese
mentaliteit aangevoeld: godsdienst kan geen zelfstandig bestaan leiden, maar
moet altijd aan de hoogste gezagdrager voorgelegd en onderworpen zijn. Vervolgens
is het duidelijk, dat de Stralende Religie niet als aan het taoïsme of
boeddhisme tegengesteld werd ervaren. Aluoben wist beelden en principen uit
die religies te gebruiken voor zijn weergave van de christelijke leer in China.
Vandaar dat in de loop van de verdere geschiedenis van de Stralende Religie
in China steeds meer zal blijken, dat het christelijk geloof eigen Chinese
vormen aannam. En zo komen we op het terrein van het onderzoek van Halbertsma
en Palmer, die elkaar kenden en samenwerkten in de ontdekking van dit vroege
christelijk geloof in China.
Martin Palmer heeft zich vooral bezig gehouden met de studie van de teksten,
bewaard in handschrift, die rond het jaar 1005 in een tijd die minder gunstig
voor het Christendom was, werden opgeborgen in een grot in Dunhuang, een stad
in de noordwestelijke provincie Gansu. In het begin van de twinstigste eeuw
werd deze grot door westerse ontdekkingsreizigers weer ontdekt en er bleken
duizenden manuscripten, waaronder ook christelijke, Tibetaanse en Sogdische
teksten, bewaard gebleven te zijn. Westerse geleerden hebben veel van dit
materiaal naar hetWesten verscheept, maar Chinese handelaars in oudheden hebben
ook veel op de markt gebracht. Zo zijn er op verschillende plaatsen handschriften
te vinden tot in Japan toe. Onder deze teksten bevinden zich ook de Jezus-soetra’s,
die rond
1920 in de omgeving van Peking te koop werden aangeboden en die zeer waarschijnlijk
uit de grot bij Dunhuang stammen. Vier soetra’s stammen uit de periode
van ca. 640-660 en bevinden zich nu in prive´-collecties in Japan. Een
soetra, die in Dunhuang gevonden werd, bevindt zich nu in Parijs. Bovendien
zijn er nog vier Grote Liturgische Soetra’s bewaard gebleven, die uit
het einde van de achtste eeuw stammen. Men kan het verschil tussen beide reeksen
soetra’s snel vaststellen.
Meer dan een eeuw na het ontstaan van de eerste Jezus-soetra’s blijkt
uit de tweede reeks dat men nu beter in staat is uit te gaan van de Chinese
religieuze gevoeligheden en Jezus en zijn leer aan te bieden als een antwoord
op die problemen. Een voorbeeld kan dit toelichten:
‘’De hoogste hemel bemint U.
De grote aarde opent haar handpalmen in vrede.
Ons echte wezen is verankerd in Uw Zuiverheid.
Ubent Allaha: MedelevendeVader van de Drie.
Alles prijst U en laat zijn echte geluid klinken.
Alle Verlichten zingen lofzangen-
Elk wezen zoekt zijn schuilplaats bij U
En het licht van Uw heilige Medeleven bevrijdt ons allen.
Voorbij kennen, voorbij woorden
U bent de waarheid, standvastig voor altijd.
Medelevende Vader, Schitterende Zoon,
Zuivere Wind Koning-drie in een.
Temidden van koningen en keizers, bent U supreem
Temidden van de beroemden van de wereld, bent U de Heer van alles.
U leeft voor altijd in licht
Het licht dat elke sfeer binnendringt.
Toch bent U nooit gezien
Geen oog kan Uw uiterlijk zien
Of Uw heldere natuur. ...
Medelevend vreugdevol Lam
Die alle lijdenden bemint
Zonder vrees komt U op voor ons
Bevrijd ons van het karma van onze levens,
Breng ons terug naar ons oorspronkelijke wezen
Bevrijd ons van elk gevaar.
Goddelijke Zoon uitgenodigd
Te staan rechts van de Vader
Dit altaar gaat alle anderen te boven.
Grote Messias: hoor onze gebeden
Zend Uw vlot van redding
Om ons te behoeden voor de brandende
stromen.’’(Palmer 203-204).
Deze Liturgische Soetra gaat inderdaad uit van boeddhistische of beter Chinees-boeddhistische
religieuze ervaringen en beelden. Sterk wordt het medelevend karakter van
deVader onderstreept. Licht en Verlichten, een schuilplaats zoeken, bevrijding
van het karma, terugkeer naar het oorspronkelijk zijn, het vlot van redding
en de brandende stromen: een christelijke verlossingsleer niet alleen gekleed
in een boeddhistisch gewaad, maar tot stand gekomen door een osmose in de
diepte met de Chinees-boeddhistische wereldbeschouwing.
Het zou te ver voeren om meer teksten aan te halen. Palmer geeft vele vertalingen
in zijn belangrijk werk.
De bijdrage van Halbertsma moet ook recht gedaan worden. Palmer is directeur
van het InternationaleAdviesbureau over Godsdienst, Educatie en Cultuur in
Manchester. Hij schreef een voorwoord voor het werk van Halbertsma en daaruit
blijkt, dat beiden elkaar kennen en samenwerken in de ontdekking van de sporen
van de Kerk van het Oosten in China. Samen hebben ze veel ontdekkingsreizen
in China en Mongolie¨ gemaakt.
Samen werkten ze aan het tot stand komen van de verzameling van de Jezus-
Soetra’s, die door Palmer uitgegeven werden. Samen werkten ze ook aan
het opsporen van overblijfselen van de Kerk van het Oosten in China en Mongolie¨
en hiervan doet Halbertsma verslag. Zo kunnen we meeleven met de ontdekking
van het oudste christelijke bouwwerk in China, de Pagode van Da Qin in de
omgeving van Xi’an. We maken kennis met de ste`le van Da Qin van 781,
nu bewaard in het museum van Xi’an, waarop de hele geschiedenis van
de komst van de Kerk van het Oosten staat. De fresco’s, vooral de christelijke,
in de grotten van Dunhuang komen uitvoerig ter sprake. De ontdekking van de
manuscripten in de grot van Dunhuang en hun verdere lotgevallen vormen een
boeiend verhaal. De foto’s van de buitenkant van dat grottencomplex
zijn kostbaar.
Engelen, geschilderd in Miran in de westelijke provincie van Xinjiang, resten
van een kerk in Kocho en vele andere overblijfselen van de kerk van het Oosten
maken ons duidelijk hoe ver die Stralende Religie verspreid was e´n
hoe ver men toen ging in inculturatie. De auteur heeft er een specialiteit
van gemaakt om verloren lotuskruisen op te sporen. Kruisen geplaatst op een
lotus, zoals de Boeddha op een lotus zetelt. We maken met hem een zwerftocht
door China, Mongolie¨ en Binnen-Mongolie¨ en zien overal lotuskruisen
e´n geschonden christelijke graven. Opvallend zijn de bronzen kruisen
en amuletten versierd met het swastika teken (vier kruisen in T-vorm met weglating
van een deel van de T) uit het Ordos-gebied. Verrassend is de beschrijving
van overblijfselen van een christelijke cultuur in Fangshan (bij Peking) en
in Olon Sume in Tor (Tenduc) in Binnen-Mongolie¨, waar Johannes van Montecorvino
OFM op het einde van de dertiende eeuw groepen van Oosterse christenen aantrof,
voor wie hij de geestelijke leider werd. Tegen die tijd was de Kerk van het
Oosten al op de terugtocht. In 1368 was de Kerk van het Oosten in China verdwenen.
De oorzaken zijn veelvuldig, maar hoofdoorzaak was de wisseling van de keizer-dynastie
in China.
Godsdienst is in China altijd afhankelijk geweest van degene, die het Mandaat
van
de Hemel had, de Keizer of de President.
Historici en andere bewonderaars van het oude China mogen Palmer en Halbertsma dankbaar zijn voor hun eindeloze speurtochten en voor hun exacte en levendige beschrijvingen. De Kerk van het Oosten in China (635-1368) blijkt een kerk geweest te zijn, die een uitbreiding en een diepte bezat, die al te lang verborgen bleven.
13-12-2003 Wetenschap en onderwijs
Hendrik Spiering
NESTORIANEN STICHTTEN OPMERKELIJKE MENGCULTUUR IN BINNEN-MONGOLIË
Overblijfselen van de middeleeuwse Nestorianen in Binnen-Mongolië zijn in rap tempo aan het verdwijnen. Tjalling Halbertsma inventariseert als een der weinigen wat er nog resteert.
HET IS EEN verloren wereld. Van het middeleeuwse rijk van de Öngöt in Binnen-Mongolië – onder de vleugels van het Chinese keizerrijk van Kublai Khan en zijn opvolgers – zijn alleen nog wat grafstenen over, met intrigerende christelijk-Nestoriaanse kruisen van de vele Öngöt-christenen. Het nestoriaanse christendom is een afscheiding van het katholicisme in de vijfde eeuw, en werd vooral populair in Centraal-Azie. Nu en dan wordt in de Gobi-woestijn een ruïne van een verlaten Öngöt-stad gevonden. De Turkse taal van dit overigens in meerderheid islamitische volk, geschreven in Syrische letters, is wel ontcijferd, maar veel inscripties zijn nog altijd onvertaald. Maar één man is vastbesloten de opmerkelijke mengcultuur (christelijk-Chinees-Turks-Mongools) uit de dertiende en veertiende eeuw aan de vergetelheid te ontrukken.
``Bijna niemand houdt zich bezig met het verzamelen van nieuw materiaal over deze cultuur'', vertelt de Nederlander Tjalling Halbertsma, consultant te Peking èn sinds een paar jaar persoonlijk adviseur van de premier van de Republiek Mongolië (een onafhankelijk land ingeklemd tussen Siberië en China). Halbertsma, opgeleid als antropoloog en jurist, was vorige maand even in Nederland voor de presentatie van zijn nieuwe bundelreisverhalen (Steppeland. Berichten uit Mongolië, Hollandia/Dominicus). Ook maakte hij afspraken over zijn komende proefschrift over de Öngöt bij de Leidse hoogleraren Maghiel van Crevel (Chinese literatuur) en Barend ter Haar (Chinese geschiedenis). ``De vraag is natuurlijk: hoe passen de Öngöt in de Centraal-Aziatische cultuur? Hoe bijzonder is deze iconografie?''
Halbertsma (1969) raakte geïnteresseerd in de Öngöt toen hij in 2000 in een antiquariaat in Peking stuitte op een tijdschrift met schetsen van Bettina Lum, een Amerikaans vrouw die in 1936 door Binnen-Mongolië had rondgetrokken. Ze kwam terug met een schetsboek vol lotusbloemen en kruisen. In het tijdschrift stonden keurig de vindplaatsen vermeld, met kaartjes en al. Ook bleken Japanse expedities in de jaren dertig materiaal te hebben verzameld. In 2001 trok Halbertsma er zelf op uit. En al snel kreeg hij een subsidie van de Leidse sinologische Hulsewé-Wazniewski-Stichting om zo veel mogelijk stenen te inventariseren. ``Het gaat nu vooral om inventarisatie, voordat de stenen echt verloren gaan'', zegt Halbertsma. ``De interpretatie komt later.'' Volgend jaar komt er een tentoonstelling in Leiden.
Bloeitijd
In zijn boek De verloren lotuskruisen (Altamira-Becht 2002) vertelt Halbertsma over de lotgevallen van het christendom in China: de eerste bloeitijd onder de tolerante Tang-dynastie (618-907), de verdwijning daarna en de terugkeer onder de Mongoolse Yuan-dynastie (1271-1368). ``Kublai Khan had een nestoriaanse moeder en er ontstond weer een tolerante sfeer voor de christenen.'' In zijn recent verschenen Steppeland. Berichten uit Mongolië (Hollandia-Dominicus 2003) doet Halbertsma vooral verslag van zijn belevenissen in Mongolië. De hoofdstad Ulanbator bestaat nog altijd voor meer dan de helft uit grote tenten, de beroemde Mongools ger. Binnen-Mongolie wordt echter in hoog tempoChinees, op iedere autochtone Mongool wonen er nu al 8 Chinezen. Halbertsma reist vaak vanuit Peking naar Ulanbator via Binnen-Mongolië, om te kijken wat er nog over is van de oude culturen. ``Formeel is het gebied nog altijd gesloten voor buitenlanders, maar als je voorzichtig bent krijg je geen problemen.''
Onlangs achterhaalde Halbertsma een bijzondere grafsteen die in 1982 in de Gobi-woestijn is gevonden, met drie teksten in het Chinees, Syrisch en een Uigur schrift. ``Nooit vertaald, nooit gepubliceerd, terwijl het toch een soort steen van Rosetta is.'' De steen bleek te worden bewaard in het Cultureel Erfgoed Bureau in de hoofdstad van Binnen-Mongolië, Hohnot (`de Blauwe Stad'). Niet lang na het gesprek in Nederland stuurt Halbertsma vanuit Ulanbator een email dat hij al weer even in Binnen-Mogolië is geweest en eindelijk een wrijfprent heeft kunnen maken van de `Rosetta'-steen. De studie kan eindelijk beginnen.
De steen werd gevonden in een verlate stad in de Gobi, die nu in het Mongools Olon Sume In Tor wordt genoemd: `stad met de vele ruïnes'. Resten van vier kilometer lange stadsmuren geven het belang aan van de stad, die verdween toen een naburige rivier verzandde. De echte naam is vergeten. Deze stopplaats voor karavanen is in de dertiende eeuw gesticht (op de plaats van een oudere stad) door de Öngöt-koning Guo Liguse, die zich bekeerd had tot het Nestoriaanse christendom. Guo Liguse is de Chinese transcriptie van George – een echt christelijke naam. In Olom Sume In Tor zijn ook resten gevonden van een kerk met gothische invloeden.
Lyrisch beschrijft Halbertsma de bijzondere iconografie op de steen met de tekst in drie talen, typisch voor de Öngöt-gebied. ``Hier, een typisch boeddhistische lotusbloem, maar nu met een Nestoriaans kruis erin, en onder een echt klassiek Chinese wolkenpartij. Vaak zie je er ook nog een Chinees altaartafeltje bij, met draken die alles vasthouden. Of kijk hier: dit zijn toch typisch Romeinse wijnranken, met een Nestoriaans kruis. Toen ik deze foto in het British Museum aan deskundigen liet zien, vonden ze het treffend dat dit zo ver naar het oosten was aangetroffen. Aan de westrand van China zie je wel meer van dit soort vermengingen. Je ziet op de Nestoriaanse stenen ook vaak een golfmotief waarmee in Mongolië en Noord-China nog altijd meubels, tapijten en andere objecten versierd worden. Dit is dus mijn fascinatie.''
Koopman
Het Turkse volk van de Öngöt is groot geworden in het kielzog van de Mongolen. Halbertsma: ``Zij waren een van de eerste volkeren die trouw zwoeren aan Djengis Khan, begin dertiende eeuw.'' Nu kijkt in China vrijwel niemand nog om naar hun geschiedenis. ``Ja, er is een koopman in Hohnot, die verzamelt gouden kruizen. En er is Wei Jian, verbonden aan het Cultural Relics Bureau in Hohnot. Dat bureau doet wel reddingsopgravingen als stenen of graven verloren dreigen te gaan. Wei verzamelt ook wrijfprenten (rubbings) van christelijke grafstenen. Maar ik heb vele andere gedocumenteerd die ik gevonden heb in het veld en in boerenhuizen waar ze als bouwmateriaal zijn gebruikt.''
Halbertsma heeft er ongeveer veertig. ``Ik neem nooit een steen mee.'' Er is nog altijd veel te vinden. De grote stenen blijven in het dun bevolkte gebied lang liggen en ze zijn meestal te zwaar om te roven. ``Alhoewel, ik zag pas een steen in een antiekwinkel in Hohhot liggen die ik in 2001 nog in het veld had gezien. Vooral in periodes van langdurige droogte, zoals nu, zijn grafroof en illegale archeologie populair als bijverdienste in Binnen-Mongolië. Ik praat regelmatig met dat soort plunderaars. Je komt ze toch tegen en ze zien me niet als concurrent. Maar informatie geef ik ze niet, natuurlijk. Ze doen hun research trouwens voortreffelijk.''
2002
A.J. Jelsma
Over de aanwezigheid van christelijke kerken in China is nog weinig bekend.
Toch heeft het christendom hier al sinds de zevende eeuw invloed gehad. In
bepaalde gebieden en perioden verkreeg het zelfs grote populariteit. Aanvankelijk
ging het vooral om Nestorianen, de christelijke variant die uiteindelijk in
het Romeinse Rijk verboden werd en sindsdien meer naar het oosten uitweek.
In deze stroming werd aangenomen dat de goddelijke Christus zich bij de doop
in de Jordaan met de mens Jezus verbond. Later kon ook het orthodoxe christendom
in China doordringen. Pas in de late Middeleeuwen verdween na intense vervolging
het christendom uit China. Uiteraard hebben de christenen in kerkbouw en graven
ook zichtbaar tekenen van hun aanwezigheid achtergelaten, die voor een groot
deel in de vervolgingstijd verwoest werden. De auteur die zelf ook onderzoek
heeft gedaan, geeft op kundige wijze inzicht in deze archeologische nalatenschap.
Hij verschaft ook belangrijke informatie over de geschiedenis en het eigen
karakter van het Chinese christendom.
Eric Brassem
Boer met bulldozer is ontdekker soms voor
Zevenhonderd jaar na Marco Polo -nu in elke uithoek backpackers Big Macs kunnen eten- bestaan er nog ontdekkingsreizigers. En er blijken nog spectaculaire zaken te ontdekken ook. Tjalling Halbertsma schreef een boek over zijn speurtocht naar restanten van een verloren beschaving: die van de vroege christenen (vanaf de zevende eeuw) in China.
Tjalling Halbertsma woont meestentijds in Mongolië. Zijn brood verdient hij in Ulan Bator, hoofdstad van Mongolië, als adviseur van premier Nambar Enkhbayar. Tjalling Halbertsma (33) is jurist en antropoloog. Zijn ontdekkingen doet hij in zijn vrije tijd. Een onalledaagse combinatie van bezigheden, met één constante: Halbertsma bevindt zich steeds op het snijvlak van culturen die voorbestemd lijken elkaar hopeloos mis te verstaan. ,,Als student rechten onderzocht ik in West-Afrika de vraag of je een compleet rechtssysteem kunt exporteren. Nee dus. In een samenleving waar polygamie normaal is, begrijpt een beklaagde niets van de rechter die zich baseert op het Britse echtscheidingsrecht.'
Via de rechtsantropologie stapte hij over naar de studie antropologie, aan universiteiten in Hongkong en Peking. In China bestudeerde hij heilige taoïstische en boeddhistische bergen, waar eeuwenoude tempels staan. De gebieden zijn niet alleen interessant om cultuur-historische redenen, maar ook uit oogpunt van natuurbehoud.
Internationale instanties als Unesco en Wereldbank helpen bij het behoud van de heuvels. Ideeën daarover lopen soms wijd uiteen, maar dat is niet altijd een bezwaar. ,,De lokale bevolking was zeer geïnteresseerd in een project om een zeldzaam visje te redden. Want die visjes smaken zo lekker, en het zou zonde zijn als volgende generaties ze nooit zouden kunnen eten.'
Conflictueuzer is de vraag of tempels 'historisch' dan wel 'levend' erfgoed vormen. Mag je pelgrims verbieden om er hun wierook te branden omdat de dampen neerslaan op waardevolle relikwieën? ,,Veel Chinese tempels zijn sinds de Culturele Revolutie gesloten geweest. Lokale autoriteiten heffen nu een toegangsprijs - voor toeristen, maar ook voor gelovigen, die vaak te arm zijn om zich een betaald tempelbezoek te kunnen veroorloven. Taoïsten pleiten ervoor om de tempels vrij te geven voor religieus gebruik.'
In opdracht van de Wereldbank zocht Halbertsma lokale experts die dit instituut op dit punt konden adviseren. Een van hen was de toenmalige oppositie-politicus Nambar Enkhbayar - de huidige premier van Mongolië. Mongolië was in de dertiende eeuw het hartland van een door Djengis Kahn gevestigd imperium, dat ook het huidige China besloeg. Net als China is dit land gezegend met een rijk cultureel erfgoed.
Halbertsma zorgde ervoor dat Enkhbayar in 1996 en 1998 met Wereldbank-directeur James D. Wolfensohn van gedachten wisselde over het behoud van dat erfgoed.
,,Enkhbayar vroeg mij eind jaren negentig zijn adviseur te worden, en dat ben ik gebleven na zijn benoeming tot premier in 2000. Mongolië stond, als enige democratie in deze hoek van Azië, zeer in de belangstelling van ontwikkelingshelpers. Maar het land, lange tijd satelliet van de Sovjet-Unie, ontbeerde ervaring met buitenlanders en de buitenlandse politiek. Ik moest bijeenkomsten organiseren tussen Enkhbayar, diplomaten en ontwikkelingsorganisaties.'
Nog steeds woont Halbertsma meestentijds in Ulan Bator, waar hij officiële buitenlandse bezoeken voorbereidt, en contacten met buitenlandse media onderhoudt. ,,Deze maand komt Wolfensohn naar Mongolië, en dan wordt hem een 'nationaal cadeau' aangeboden: een boek over heilige plekken in Mongolië, waarvan ik een deel schrijf. Tijdens de sovjet-overheersing van 1921 tot 1990 werden namen van rivieren en bergen, en ook van de inwoners zelf, veranderd. Het is de Sovjets zo gelukt om Mongolië zijn geschiedenis te ontnemen. Maar de Mongolen zijn nu hard bezig hun roemrijke verleden te herontdekken.'
Halbertsma spreekt de premier het meest als hij hem vergezelt op diens bezoeken aan het platteland. ,,Dan heeft hij de meeste tijd, en ik hou erg van die reizen naar een of andere uithoek in de Gobi-woestijn, waar ze een rood lopertje voor onze Antonov in het stof leggen, en de premier verwelkomen met een bosje plastic tulpen. De bevolking bestaat uit zeer individualistisch ingestelde nomaden, dankzij de radio goed op de hoogte, die zich niks door politici op de mouw laten spelden.'
Enkhbayar deelt Halbertsma's passie voor de geschiedenis, en verzorgde een voorwoord in het boek over zijn ontdekkingen van graven, afbeeldingen en heiligdommen, dat deze week uitkomt. Via een toevallige kennismaking met een Britse onderzoeker, Martin Palmer, werd Halbertsma gegrepen door de geschiedenis van de vroege christenen in China en Mongolië. Samen ontdekten zij in 1998 een afbeelding van Maria in een pagode, die twaalf eeuwen geleden dienst heeft gedaan als kerk.
,,Palmer deed verslag voor de BBC, en liep gewapend met een lopende bandrecorder naar de verdieping waar hij het beeld zag. Zijn spontane uitroep Fuck me! was niet voor uitzending geschikt.'
Veel van de plaatsen waar Halbertsma zijn ontdekkingen deed, houdt hij geheim. Vooral in de arme Chinese provincie Binnen-Mongolië, dat grenst aan de staat Mongolië, wordt op grote schaal grafroof gepleegd. De kunstschatten verdwijnen via handelaren in Peking naar Hongkong, de VS en Europa. Alleen al de Europese kunstmarkt wordt geschat op miljarden euro's per jaar.
Zo 'herontdekte' Halbertsma, als eerste westerling in zeventig jaar, in Binnen-Mongolië een koningsgraf. Helaas was een Chinese boer met een bulldozer hem net voor geweest.
,,De vernielingen waren enorm. Het gaat me aan het hart dat een van de wonderbaarlijkste stukken geschiedenis verloren gaat. Maar ik kan me goed voorstellen dat een arme sloeber in Binnen-Mongolië, wiens oogst mislukt is, een spade in een graf steekt. Mijn sympathie ligt eerder bij de Chinese boer die een hoofd van een boeddhabeeld voor 36 dollar heeft verkocht en dat met de doodstraf moest bekopen, dan bij een westerse kunstmarkt.'
In augustus hoopt Halbertsma de Mongoolse Gobi-woestijn in te trekken, op zoek naar verloren steden. Hij likkebaardt bij voorbaat van de restanten die hij onder het zand vermoedt.
T. Halbertsma, de Verloren Lotuskruisen, Uitg. Altamira-Becht, €18,50.
Interview Groene Amsterdammer: Tjalling Halbertsma -Zoeken naar christenen in China
De specialiteit van Tjalling Halbertsma is het documenteren van het Nestoriaanse christendom in China aan de hand van grafstenen in Binnen-Mongolië. Geen gortdroog onderwerp voor wereldvreemde enthousiastelingen, maar een race tegen de tijd. Halbertsma schrijft meeslepend over zijn avonturen.
«In Mongolië zijn de avonden zeer lang. Je kunt dan naar de fles of de pen grijpen.»
Jan van der Putten
Culturele ontdekkingsreizigers, die heb je tegenwoordig niet zo veel meer.
In Mongolië woont er een, en het is een Nederlander. Telkens als zijn
baan als buitenlandadviseur van de premier het toelaat, trekt Tjalling Halbertsma
de Gobi-woestijn in. Daar gaat hij zoeken naar oude Nestoriaanse stenen, relicten
van een verdwenen godsdienst die een nieuw licht werpen op oude ontmoetingen
tussen Oost en West. Halbertsma (1969) houdt sinds tien jaar in Amsterdam
een pied-à-terre aan. Die komt hem goed van pas als in Nederland een
boek van hem uitkomt. Zoals zijn laatste product, Steppeland, een serie verhalen
over zijn reizen door Mongolië en zijn ontmoetingen met markante of bizarre
personen. Het land van Djenghis Chan is een onuitputtelijke inspiratiebron
voor wie houdt van natuur, leegte en eindeloosheid, van oude volks gewoonten
en diep gewortelde religieuze gebruiken. Met grote liefde beschrijft Halbertsma
zijn avonturen in deze herders- en monnikenmaatschappij, die de regeldrift
en de vervolging van het communisme heeft overleefd maar waarschijnlijk gedoemd
is teloor te gaan aan Mongoliës integratie in de wereldmarkt. Steppeland
is lichte kost vergeleken met Halbertsma’s vorige boek De verloren lotuskruisen,
dat gaat over zijn specialiteit: het documenteren van het Nestoriaanse christendom
in China aan de hand van grafstenen in Binnen-Mongolië. Gortdroog onderwerp
voor wereldvreemde enthousias telingen? Geen sprake van: het is een race tegen
de tijd om de resterende grafstenen op te sporen van een christelijke religie
die zich eerst aan de Chinese omgeving heeft aangepast, daarna verloren is
gegaan en nu ook haar relicten met de ondergang bedreigd ziet. Tjalling Halbertsma:
«Er wordt onvoorstelbaar veel vernield door professionele graf rovers
en door herders en boeren die op zoek zijn naar bouwmateriaal. Op een Nestoriaanse
begraafplaats uit de dertiende eeuw heb ik in een kwartier tijd 380 geroofde
graven geteld.» Hij laat een paar foto’s zien die hij ter plekke
heeft genomen: opengebroken graven, kapotte stenen, een verdwaalde schedel:
«In de zomer wordt alles overwoekerd. Het is me een paar keer gebeurd
dat een wiel van mijn jeep in zo’n graf terechtkwam, of dat ik er zelf
in ben gedonderd.» Hoe raakt een jongen uit Doorn verzeild in Mongolië?
Zijn kosmopolitisme kreeg Tjalling Halbertsma mee van thuis: «Mijn ouders
hebben vaak in het buitenland gewoond, en mijn vader heeft veel films gemaakt
over vreemde volkeren, vooral documentaires over Latijns-Amerika. Ik ben altijd
geïnteresseerd geweest in ontmoetingen tussen verschillende werelden.
Dat verduidelijkt veel over jezelf en over die andere samenleving.»
In Maastricht ging hij tegelijk rechten en antropologie studeren, waarna hij
met studiebeurzen de wijde wereld introk. In Ghana onderzocht hij hoe het
westerse juridische systeem daar spaakloopt. Vervolgens deed hij in Hongkong
een rechtenstage en in Peking een talencursus Chinees. Zijn in Peking gemaakte
scriptie ging over de heilige bergen van China. In 1995 studeerde hij af in
Manchester in de visuele antropologie. Met een Engelsman die onderzoek deed
naar het eerste christendom in China trok hij datzelfde jaar naar de Volksrepubliek.
Hun consultancybureautje deed van alles: locaties zoeken voor een BBC-ploeg,
Chinese organisaties helpen bij het aanvragen bij Unesco van de status van
World Heritage voor een cultureel erfgoed, en evenementen organiseren, zoals
recentelijk een voorstelling van een Mongolische dansgroep in Buckingham Palace.
Zijn werk bracht Halbertsma in contact met mensen als Gorbatsjov, president
Aristide van Haïti, en James Wolfensohn, president van de Wereldbank.
Tjalling Halbertsma: «Wolfensohn wilde graag Aziaten ontmoeten met invloed
op economisch, politiek of filosofisch gebied. Hij vroeg ons namen te suggereren.
Een van de mensen die we selecteerden, was Enkhbayar. Hij was aanbevolen door
medewerkers van ons in Mongolië. Als oppositieleider werkte Enkhbayar
aan een hervorming van de communistische partij. Hij had Dickens, Tolstoi
en het Leven van Boeddha in het Mongolisch vertaald. Ik was aanwezig bij het
gesprek dat hij in 1998 in Washington had met Wolfensohn.» Voor de verkiezingscampagne
van 2000 zocht Enkhbayar naar iemand die hem kon adviseren over het beeld
van Mongolië in het buitenland. Dat werd dus Tjalling Halberts ma: «Ik
organiseerde ontmoetingen tussen de kandidaat-premier en buitenlandse instanties
in Mongolië, zoals donororganisaties en ambassades, zodat die hun grieven
over Mongolië in een vroeg stadium in informele sfeer op tafel konden
leggen. Maar voor het persbureau Reuters was ik Enkhbayars spin doctor. Andere
media namen dat over en verzonnen er nog van alles bij.» Dankzij de
algemene onvrede over de sociale slachtingen die het wilde kapitalisme had
aangericht, behaalde Enkhbayar een verpletterende overwinning. Halbertsma
bleef voor hem werken, maar nu vaker in het buitenland. Hij denkt dat hij
nog op zijn post blijft tot de verkiezingen, later dit jaar, om zich daarna
fulltime te wijden aan het proefschrift dat hij sinds kort in petto heeft.
Het onderwerp is geen verrassing: de relicten van het Nestoriaanse christendom
in China. Al eerder was Halbertsma in de ban gekomen van de ontmoeting van
het vroege christendom met de Chinese cultuur. In 1998 deed hij ontdekkingen
in en rond de oudste christelijke kerk in China, de pagode Da Qin in de provincie
Shaanxi: «In Mongolië zijn de avonden zeer lang. Je kunt dan naar
de fles of de pen grijpen.» Hij greep naar pen en boek en verdiepte
zich in oude reisverhalen van westerlingen over de Gobi. Bijvoorbeeld de memoires
van Miss Bettina Lum. Dat was een onvervaarde Britse lady die in 1936 samen
met een Mongolische prins in een Ford met open dak de steppen van Binnen-Mongolië
doorkruiste, op zoek naar een verloren stad van Nestoriaanse christenen. De
herders wisten niet wat ze zagen. Lady en prins moesten halsoverkop vluchten
voor de Japanse invasie. Na hen zochten tot de Tweede Wereldoorlog nog zeker
drie buitenlandse expedities korte tijd naar Nestoriaanse grafstenen. In een
antiekwinkel in Peking kwam Halbertsma in een opgedoekte bibliotheek («waarschijnlijk
van een zendeling») de schetsen tegen die Miss Lum had gemaakt van Nestoriaanse
overblijfselen, zoals grafstenen met kruisen en lotusbloemen. De handelaar
vroeg een fortuin, en kreeg dat ook. Want Halbertsma had er alles voor over
om gehoor te geven aan zijn roeping: het opsporen van de resten van een uitgedoofde
religie. In twee golven, eerst in de zevende en daarna in de dertiende eeuw,
is het Nestoriaanse christendom China binnengekomen. De vijfde-eeuwse bisschop
Nestorius, patriarch van Constantinopel, legde de nadruk op de menselijke
natuur van Gods zoon Jezus. Zijn leer werd op het Concilie van Efeze in 431
tot ketterij bestempeld en hijzelf werd verbannen naar Egypte. De Nestorianen
keerden zich oostwaarts en maakten Perzië tot hun kernland. Van daaruit
trok de «Kerk van het Oosten» China binnen. In 635 bereikte de
Nestoriaanse monnik Aluoben het hof van de Chinese keizer in Chang’an,
het huidige Xi’an, vooral bekend om zijn ondergrondse terracottaleger.
Aluoben presenteerde de keizer een zeer vrije vertaling van de leer, waarin
hij zijn versie van het christendom aanpaste aan het Chinese gedachtegoed.
De keizer had geen bezwaar tegen Aluobens jing jiao («stralende religie»)
en gaf hem verlof om te blijven en een klooster te bouwen. Op een in het tempelmuseum
van Xi’an bewaarde stele uit het eind van de achtste eeuw staat de leer
van de Kerk van het Oosten beschreven, een wonderlijke mengeling van christendom,
boeddhisme, taoïsme en confucianisme. In de dertiende eeuw kwam in het
Mongolische wereldrijk de stralende religie tot nieuwe bloei. Zelfs de moeders
van enkele opvolgers van Djenghis Chan omhelsden dit geloof, dat echter de
ondergang van de Mongolische Yuan-dynastie in China in 1368 niet heeft overleefd.
Een christen van de Kerk van het Oosten, Rabban Sauma, kwam in 1287 in Napels
aan. Hij was de eerste ons bij name bekende Chinees die naar Europa reisde.
In hetzelfde jaar arriveerde Marco Polo in Peking. Polo werd een vertrouweling
van de keizer, Rabban Sauma werd ontvangen door de paus en de koning van Engeland.
Uit die periode stammen de meeste Nestoriaanse vondsten in China en Mongolië.
Ze getuigen van een verregaand syncretisme: christelijke kruisen op boeddhistische
lotusbloemen, heiligen die zijn afgebeeld als bodhisattva’s, Chinese
draken en Midden-Aziatische motieven ter versiering van een christelijk symbool,
teksten in Chinees, Mongolisch en Syrisch schrift, kortom, een raadselachtige
culturele mix van jewelste. Met de schetsen en de beschrijvingen van Miss
Lum op zak trok Tjalling Halbertsma in de lente van 2000 naar het Chinese
deel van de Gobi-steppen bij de grens met Mongolië, waar de meeste Nestoriaanse
stenen moesten liggen. Na de Tweede Wereldoorlog werd dit gebied afgegrendeld.
Nog altijd komen buitenlanders er zonder vergunning niet in, want de Chinese
overheid wil geen pottenkijkers in gevoelige grensstreken, bij gevangenissen
en legerplaatsen. Alleen Chinezen hadden wat onderzoek gedaan naar de Nestoriaanse
relicten, maar het hield niet over. Vanwaar dat gebrek aan belangstelling?
Halbertsma: «Het gaat om een uit het buitenland gekomen, dus niet klassiek
Chinese religie. En religie ligt sowieso gevoelig. Ik heb maar twee academische
Chinese publicaties over Nestoriaanse stenen uit Binnen-Mongolië kunnen
vinden.» Halbertsma was een van de eerste buitenlanders die na de oorlog
het verboden gebied binnentrokken om naar de stenen te zoeken. Na twee weken
speuren vond hij in een door Miss Lum bezocht dorp zijn eerste twee Nestoriaanse
stenen met lotuskruisen. Na de eerste vondsten ging het wat gemakkelijker:
«Ik liet de boeren plaatjes van de stenen zien en ik vroeg ze of ze
ze herkenden, en waar die stenen dan lagen.» Zo werkt hij nog steeds:
«Meestal zijn de stenen verplaatst van hun oorspronkelijke plek en als
bouwmateriaal gebruikt in muren en huizen. Vastzittende stenen laten zich
vaak moeilijk onderzoeken. Ik heb een huis gezien waarvan de fundamenten geheel
op Nestoriaanse grafstenen staan.» Soms gaat een man van de archeologische
dienst mee: «Met iemand van de overheid erbij zijn de boeren veel minder
geneigd hun verhaal te vertellen. Maar ik moet zeggen dat ik veel hulp heb
gekregen van de Chinese autoriteiten. Acht jaar geleden namen ze mijn filmpjes
nog in beslag, tegenwoordig stellen ze het op prijs dat een buitenlander speciaal
in hun regio of provincie is geïnteresseerd.» In Peking kwam hij
Maghiel van Crevel tegen, hoogleraar Chinese taal- en letterkunde in Leiden.
Halbertsma: «Ik zei hem dat we heel wat meer konden bereiken als we
het onderzoek systematisch zouden aanpakken. Maghiel schakelde de Leidse sinologische
stichting Hulsewé-Wazniewski in, die me in twee weken tijd genereus
geld ter beschikking stelde. Daardoor kon ik met een eigen auto op pad en
gedetailleerde kaarten kopen van het Amerikaanse leger, waarop oude namen
staan die niet meer op Chinese kaarten worden vermeld. Bovendien staan er
op Chinese kaarten vaak opzettelijk verkeerde aanduidingen. Met een GPS-apparaatje
heb ik de plekken van de vondsten vastgelegd om ze later terug te kunnen vinden.»
Medio 2003 doorkruiste Halbertsma de steppen ten noorden van Hohhot, de hoofdstad
van Binnen-Mongolië. Hij toont een deel van de oogst: schitterende wrijfprenten
van Nestoriaanse grafstenen. Hij vond ook bronzen kruiken, met Perzische motieven
versierde karaffen, en een soort Steen van Rosette: een Nestoriaanse grafsteen
met teksten in het Chinees, Syrisch en Turks: «De stenen zijn over een
veel groter gebied verspreid dan ik dacht. Voor het Leidse proefschrift dat
ik ga schrijven wil ik ook materiaal uit de provincie Xinjiang onderzoeken.
Het is nu alleen nog maar verzamelen, beschrijven, foto’s en wrijfprenten
maken. Aan een interpretatie van het materiaal ben ik nog niet toegekomen.
Dat is voor de dissertatie.» De oogst van Halbertsma’s onderzoek,
waaronder nu al ruim duizend dia’s, gaat naar de bibliotheek van het
Sinologisch Instituut in Leiden. De Chinese Nestorianisme-expert Wei Jian
komt daar dit jaar een tentoonstelling openen van wrijfprenten, foto’s
en kaarten. «Vanwege de snelle vernieling van de relicten is onderzoek
urgent», zegt Halbertsma. «De Hulsewé-Wazniewski Stichting
heeft daar veel oog voor.» Geroofd is er altijd, maar de laatste jaren
heeft het stelen een ongekende omvang aangenomen: «De meeste graven
zijn al leeg gehaald. Als boeren in strenge winters vee verliezen, gaan ze
massaal hun voorouders opgraven om aan geld te komen. Het is te merken aan
de enorme influx van grafobjecten uit Binnen-Mongolië in de antiekwinkels
in Peking en Shanghai. Er zijn ook deskundige beroepsrovers, die je precies
kunnen uitleggen waarop je moet letten als je een graf wilt opsporen. Door
de aanwezigheid van graven wordt de waterstroom verlegd, en het materiaal
van de grafobjecten verandert de vegetatie.» Halbertsma had altijd gedacht
dat de grafstenen te groot en te zwaar zijn om te worden geroofd. Tot deze
zomer: «Ik heb er één gezien in een antiekzaak. Een veeg
teken. Een beeld dat Miss Lum in de jaren dertig heeft beschreven, heb ik
nog in het veld gezien in 2001. Ik ben het kort geleden opnieuw tegengekomen,
aan de ingang van een Chinees toeristenkamp met herderstenten van beton. Het
heeft geen hoofd meer.»
Op 9 maart is in het Sinologisch Instituut in Leiden een seminar en een tentoonstelling
over Halbertsma’s vondsten