| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
Met wijwater en pistool op missie in China
Boeken, 1 maart 2008
Tjalling Halbertsma
Harry Knipschild: Soldaten van God, Nederlandse en Belgische missionarissen op missie in China in de negentiende eeuw.
Bert Bakker, Amsterdam.
ISBN 9789035131934
352 blz. EUR 25
Jonge mannen, opgeleid om dorpskapelaan te worden, gingen in de negentiende eeuw als missionaris naar China. Geweld schuwden ze bij hun werk niet, schrijft Harry Knipschild.
Nooit eerder trokken zoveel Nederlanders naar China als in de afgelopen jaren.
Eigenlijk zouden zij Knipschilds boek over de Nederlandse en Belgische missie
in China moeten lezen. Want zelden kwam een botsing der beschavingen zo naar
de oppervlakte als in de negentiende eeuw, toen Nederlandse, Belgische en
andere westerse missionarissen in China hun geloof aan de man probeerden te
brengen.
Aanvankelijk sloten de jonge Nederlandse paters zich aan bij Belgische en
Duitse orden die al in China actief waren, zoals de congregatie van Scheut
(CICM) en de vanuit Limburg opererende missie van Steijl (SVD). Later werd
er ook een eigen Nederlandse organisatie opgericht. Een aantal van de Nederlandse
paters zou nooit uit China terugkeren. Ziekte en het martelaarschap eisten
hun tol. De erfenis van deze katholieke groepen in China is echter nog springlevend.
Historicus Knipschild, die in de jaren zeventig als promotor popgroepen zoals
ABBA naar Nederland haalde, baseert zich in dit boek vooral op brieven die
missionarissen vanuit China naar huis stuurden. Hij verhaalt van jonge mannen
van nog geen 24 jaar oud, afkomstig uit plaatsen zoals Soest, Waalwijk, Utrecht
en Raamsdonksveer, die in Nederland eigenlijk een toekomst als dorpskapelaan
te wachten stond, maar in plaats daarvan naar China werden uitgezonden.
Van een werkelijke Chinese interesse in het christendom was maar nauwelijks
sprake. Menig pater zag 'zijn hemels doel geheiligd door menselijke middelen'.
Terugkerende hongersnoden, oorlog of vluchtpogingen voor de lange arm van
het Chinese gerecht, leidden bij tijden tot een stormloop aan bekeringen.
?Als we het van preken moesten hebben kwamen wij niet ver'', merkt een van
de Nederlandse bisschoppen in China pragmatisch op.
Zolang de congregaties geld hadden om uitgehongerde boeren van voedsel te
voorzien of in hun ommuurde kerken bescherming te bieden, werd er bekeerd,
maar als het geld uit Europa opdroogde zagen de missionarissen zich gedwongen
de 'rijstchristenen' voor hun poort weg te sturen. Daarnaast bepaalden geldstromen,
bureaucratie en rivaliteit tussen de paters onderling maar wat vaak het functioneren
van de congregaties.
Knipschild laat vooral zien dat de congregaties in China door mensen van vlees
en bloed bestierd werden. En dat vijandigheden waarmee missionarissen zich
in China geconfronteerd zagen niet zelden door hen zelf veroorzaakt werden.
Verzet van anti-westerse bewegingen en lokale mandarijnen leidde aan het einde
van de negentiende eeuw tot hevige gevechten tussen paters en lokale bevolking.
De paters schrokken er niet voor terug om zich daarbij met geweld te verdedigen.
Wanneer 'de duivels onder de bezetenen niet met het werpen van wijwater konden
worden uitgedreven', schoten de paters er lustig op los en werd 'menig heiden
neergelapt'. Vrijwel iedere missionaris bezat daarom een paar pistolen of
verzocht het thuisfront ijlings een geweer te sturen. De titel van dit boek
is dan ook raak gekozen.
Uiteindelijk deden burgeroorlog, communisme en het uitroepen van de Chinese
Volksrepubliek in 1949 de westerse missie in China de das om.
Knipschild toont zich in zijn boek vooral historicus en laat de erfenis van
de Nederlandse en Belgische missie grotendeels onbesproken. Hij noemt weliswaar
de heiligverklaring van een aantal negentiende-eeuwse missionarissen in 2000
- tot verontwaardiging van China uitgerekend op de dag waarop China zijn onafhankelijkheid
viert - en de rol van de grondlegger van Unilever voor de financiering van
de missie, maar niet dat een aantal van de missieorganisaties die hij beschrijft
intussen opnieuw in Azië actief is. Zo zijn de missionarissen van Scheut
in 1992 opnieuw in Mongolië neergestreken en is de missie van Steijl
vanuit Taiwan actief. De twee congregaties, die aan de wieg hebben gestaan
van de Westerse sinologie en mongolistiek, spelen bovendien nog altijd een
actieve rol in de hedendaagse bestudering van China en Mongolië. Met
name door hun banden met universiteiten en eigen academische uitgeverijen.
'Soldaten van God''vertelt derhalve van een episode die nog altijd voortduurt
en die hoogst relevant en actueel is. Ook voor de Nederlanders die nu door
multinationals zoals Unilever naar China worden uitgezonden.
Box: “Zorg dat je erbij komt”
De loopbaan van Harry Knipschild (1944) staat in het teken van popmuziek en
de bestudering van de katholieke missiegeschiedenis. Na zijn studies wis-,
natuur- en sterrenkunde, werkte Knipschild een kwart eeuw in de muziekindustrie
voor onder meer Radio Veronica en VARA’s Popgala. Als pop-promotor was
hij betrokken bij de carrières van ABBA, The Beatles, James Brown en
talloze andere internationale artiesten. Nadat hij de popindustrie had verlaten
ging hij in 1995 in Leiden expansiegeschiedenis studeren. In 2005 promoveerde
hij aan de Universiteit Leiden op de Nijmeegse missionaris en martelaar Ferdinand
Hamer die in 1900 in China was vermoord. Knipschild’s proefschrift,
waarvan Soldaten van God een toegankelijke versie is, refereert nog regelmatig
aan zijn jaren in de popindustrie en opent bijvoorbeeld met twee zangteksten:
“Imagine there is no heaven” van John Lennon en het daar lijnrecht
tegenovergestelde “Nu gaat de gouden hemel open” uit de Bisschop
Hamer Cantate. Toch hebben missionarissen en popsterren veel gemeen, meent
Knipschild. Beide belanden opeens en volkomen onvoorbereid in den vreemde.
Knipschild, momenteel docent geschiedenis aan de Universiteit Leiden, voelde
zich dan ook onmiddellijk thuis onder de missionarissen die hij bestudeerde.
“Die mensen ken ik, die maken mee wat popartiesten meemaken,”
merkt hij op tijdens een telefoongesprek. “Het zijn gewone, eenvoudige
jongens die opeens belangrijk worden.” Ook meent hij paralellen te zien
tussen missielectuur en wervingsadvertenties van het leger. “Beiden
appelleren aan dezelfde sentimenten: gevaar, avontuur en het onmogelijke presteren,”
zegt hij.”Het draait allemaal om het liedje ‘Zorg dat je erbij
komt...’, en als het je leven kost, kom je in de hemel.”
Knipschild werkt momenteel aan een boek over de vroege popmuziek. Daarnaast
publiceert hij vanaf april iedere maand een van zijn favoriete missie brieven
op de ‘portal voor surfende katholieken’: www.isidorusweb.nl
Het proefschrift van Harry Knipschild is Ferdinand Hamer 1840-1900. Missiepionier
en martelaar in China en werd geschreven aan de Universiteit Leiden in 2005.
Copyright: Halbertsma, Tjalling
Film, donderdag 13 december 2007
Tjalling Halbertsma
Mongolië-films doen het goed in Nederland. ’The cave of the yellow
dog’, ’Khadak’ en ’The story of the weeping camel’
trokken volle zalen. Deze maand ging opnieuw een film over het Mongoolse herdersbestaan
in premiëre. Wat spreekt bezoekers zo aan? En zijn het eigenlijk wel
allemaal films uit Mongolië?
Het succesverhaal van de makers van ’The Story of the Weeping Camel’
is inmiddels beroemd onder studenten van de filmschool. In 2002 reisden Byambasuren
Davaa en een medestudent van de filmschool van Mënchen naar Mongolië,
Davaa’s geboorteland. Met een luttele tien uur film op zak en vijfendertig
draaidagen in het vooruitzicht filmden zij een afstudeerproject dat een kaskraker
werd en eindigde met een Oscarnominatie. Ook in Nederland was de film een
daverend succes met maar liefst 90.000 bezoekers. Niet slecht voor een film
over een verstoten kameelkalfje dat met zijn moeder moet worden herenigd door
zang en strijkinstrument.
Davaa’s tweede film, ’The Cave of The Yellow Dog’, was met
60.000 bezoekers en een goed verkopend boek al even succesvol. Ook deze film
speelde zich af in een herdersfamilie op de onmetelijke vlaktes van Mongolië.
En die uitgestrekte steppe leent zich maar wat goed voor bioscoopformaat.
Want volgens distributeur Lenneke de Coninck van Contact Film, „laaft
het Nederlandse publiek zich aan de charme van het weidse landschap zonder
drukte, overbevolkte leefomgeving of lawaai.”
Davaa’s films zijn weliswaar in scëne gezet, maar van professionele
acteurs of een script is geen sprake. Herders spelen zichzelf of vertellen
gebeurtenissen na. Dat komt volgens De Coninck de authenticiteit van de films
ten goede. „Davaa bezit de gave om een verhaal te verfilmen waarvan
je zou zweren dat het een documentaire is”, zegt zij. Het alledaagse
van Mongolië is dus eigenlijk al bijzonder genoeg.
Volgens Ulrike Herold, tv-producente en voormalig docente aan de Mongoolse
filmschool MongolKino, is er ook sprake van een idylle. „Bezoekers van
de films gebruiken maar wat vaak de woorden ’puur’, ’zuiver’
en ’onschuld’ als zij de films van Davaa beschrijven,” zegt
Herold. Mongolië-films, met andere woorden, geven een beeld van een ongerepte
steppe en een romantisch herdersbestaan. En het Westen blijkt daar erg naar
te verlangen.
Dat geldt in veel mindere mate voor ’Khadak’, van de Belgische
Peter Brosens en Amerikaanse Jessica Woodworth. Om te beginnen speelt de film
zich in de winter af en dan ook nog eens voornamelijk in de verpauperde steden
en mijnindustrie van Mongolië. Hier is alles behalve sprake van een idylle.
Erger nog, het herdersbestaan wordt in ’Khadak’ bedreigd door
oprukkende modernisering en nietsontziende politici.
Volgens De Coninck zijn de films van Brosens heel anders van toon en inhoud
dan de andere Mongolië-films die in Nederland draaien. Ze zouden intellectueler
zijn en een dichterlijke vertelwijze hebben. „Khadak heeft niet die
heldere eenvoud van Davaa’s films – een eenvoud die heel, heel
moeilijk te bewerkstelligen is.”
Maar ’Khadak’ is ook om andere redenen uitzonderlijk binnen het
genre. „Filmen in Mongolië is gedurende de wintermaanden technisch
gesproken erg moeilijk”, zegt Herold, die zelf bij dertig graden onder
nul opnames maakte. „Batterijen werken niet meer, film breekt als het
bevriest en zoomlenzen worden vrijwel onbruikbaar.” En voor de acteurs
is het geen sinecure. De meeste Mongolië-films worden daarom in de zomer
opgenomen. „Khadak toont een Mongolië zoals we dat we niet eerder
hebben gezien”, zegt Herold. „Het toont de steppe bij min 40,
als de grazige weide onder ijs verborgen ligt. Bovendien speelt de film zich
voor een groot deel af in vervallen en verlaten sovjetsteden.” Nederlandse
bioscoopbezoekers lieten zich er niet door afschrikken. ’Khadak’,
dat op het filmfestival van Venetië in de prijzen viel, doet het ook
hier goed.
Dat geldt niet voor ’Mongolian Ping Pong’, dat over een herdersjongetje
gaat dat in de steppe een pingpong balletje vindt. De film kon aanzienlijk
minder Nederlandse bioscoopgangers bekoren. Misschien heeft dat te maken met
het feit dat de film niet uit Mongolië komt, maar in de Chinese provincie
Binnen-Mongolië werd opgenomen.
Binnen-Mongolië, een steppegebied gelegen in Noord-China ten zuiden van
het onafhankelijke land Mongolië waar Davaa en Brosens hun films opnamen,
is inmiddels zo Chinees dat er voor iedere Mongoolse inwoner bijna twintig
Han-Chinezen wonen. Van een idyllisch herdersbestaan is in China allang geen
sprake meer. De meeste veehouders wonen in permanente huizen en de Chinese
provincie kent een uitgebreid netwerk van snelwegen en moderne steden. Eerdere
Mongolië-films die in Binnen-Mongolië werden opgenomen, zoals ’Urga’,
behandelen dan ook typische Chinese problematiek, zoals geboortebeperking
en minderhedenkwesties.
Hoewel de Nederlandse distributeur de film als ’ontroerend eenvoudig’
aanprijst en de Mongoolse steppe beschrijft als een ’uithoek ver van
de westerse consumptiemaatschappij’, draait het plot in deze film uiteindelijk
om de ’nationale bal van China’ en opent hij met het beroemde
portret van Mao op het Plein van de Hemelse Vrede in de hoofdstad Peking.
De wat oenige weetjes in het promotiemateriaal – ’Wist u dat Oelan
Bator de hoofdstad van Mongolië is?’, ’Wist u dat Mongolië
sinds 1990 een democratische markteconomie probeert te worden?’ –
suggereren dat de distributeur zich niet helemaal realiseerde dat dit een
Chinese film is en maar wat graag op het succes van de Mongolië-films
wilde meeliften.
Ondanks de overweldigende beelden van de steppen ontbeert ’Mongolian
Ping Pong’ de authenticiteit die de films van bijvoorbeeld Davaa en
Brosens en Woodworth zo oorspronkelijk maken. De vilten ger-tenten geven al
gauw de indruk van een filmset en de traditionele kleding van toneelkostuums.
Volgens Herold is dat ook niet verwonderlijk. „Uiteindelijk is het traditionele
herdersbestaan in Binnen-Mongolië bijna volledig verdwenen en kan van
authenticiteit dus geen sprake zijn.”
’Tuya’s Marriage’, de jongste Mongolië-film die sinds
vorige week in Nederland draait, wordt weliswaar door de Nederlandse distributeur
als een film uit Mongolië gepresenteerd, maar ook deze film speelt zich
af in de steppe van Noord-China. Volgens Herold is die verwarring jammer.
„Films uit Binnen-Mongolië hebben weldegelijk bewezen interessant
te zijn. Dat distributeurs aan hun oorsprong voorbij gaan is vaak onwetendheid
maar ook een zwaktebod.”
BOX: Van bevroren steppes tot de moderne stad ’Urga’ (1991) van
de Russische Nikita Mikhalkov was een van de eerste Mongolië-films die
Nederland bereikte. Het is het verhaal van een Russische vrachtwagenchauffeur
die op de steppe van Mongolië strandt en door een herdersfamilie wordt
opgenomen.
’The Story of the Weeping Camel’ (2003) van Byambasuren Davaa
en Luigi Falorni verhaalt van een kamelenkalf dat door zijn moeder verstoten
wordt, waarna de hulp van een muzikant wordt ingeroepen om het paar te herenigen.
’The Cave of the Yellow Dog’ (2005), de tweede film van de Mongoolse
Davaa, volgt een meisje dat op de steppe een hond vindt en het dier tegen
de zin van haar vader bij zich houdt.
’Khadak’ (2006), van het regisseursduo Peter Brosens en Jessica
Woodworth, belicht de trek van de steppe naar de stad en de opleving van het
sjamanisme. Brosens maakte eerder ’State of Dogs’ (1998).
’Mongolian Ping Pong’ (2005) van de Chinese regisseur Ning Hao
en ’Tuya’s Marriage’ (2006) van Qu’an An Wang, zijn
beide Chinese producties die zich in de steppe van Binnen-Mongolië afspelen.
’Mongolian Ping Pong’ werd ook omschreven als de Mongoolse variant
op ’The Gods Must be Crazy’ (1990) van Jamie Uys.
Alleen Khadak en Tuya’s marriage zijn momenteel in Nederlandse bioscopen
te zien. De andere films zijn verkrijgbaar op dvd.
Copyright: Halbertsma, Tjalling
Een ramp voor het land is een zegen voor de kapitalist
Boeken, zaterdag 20 oktober 2007
Tjalling Halbertsma
Naomi Klein: De shockdoctrine, De opkomst van het rampenkapitalisme.
Uit het Engels vertaald door Dick Lagrand en Marjolijn Stoltenkamp.
De Geus, Breda.
ISBN 9789044509182; 608 blz. € 24,90
’Rampenkapitalisten’ noemt Naomi Klein de bedrijven die schaamteloos
profiteren van catastrofes, zoals de oorlog in Irak of de tsunami in Zuidoost-Azië.
Soms bidden ze zelfs om een crisis, zoals boeren om regen bidden.
Toen Naomi Klein in 2003 haar onderzoek naar het verband tussen superwinsten
en megarampen begon, dacht zij getuige te zijn van een nieuwe economische
ontwikkeling.
Het viel haar al vroeg op dat de ondersteuning van de troepenmacht in Irak,
maar ook de beveiliging van Amerikaanse functionarissen, aan buitenlandse
particuliere bedrijven was uitbesteed. En dat na de tsunami van 2004 de stranden
van Sri Lanka in particuliere handen waren gekomen en niet meer toegankelijk
waren voor de vissers die er generaties lang hadden gewoond. Buitenlandse
bedrijven die er op tijd bij waren, maakten daardoor enorme winsten of verwierven
zich tegen afbraakprijzen staatseigendommen die zonder crisis nooit op de
markt waren gekomen.
Maar er bleek helemaal geen nieuwe koers te zijn ingezet. De hervormers van
de vrije, ongereguleerde markt, gebruikten altijd al rampen om vooruitgang
te boeken. De recente crisisexploitatie was dus niets nieuws en betrof eerder
een „hoogtepunt van een al dertig jaar durende strikte naleving van
de shockdoctrine”. Klein noemt dit rampenkapitalisme, een ’zorgvuldig
georkestreerde overval op het publieke domein gedurende de nasleep van een
catastrofale gebeurtenis’.
Een van de rampenkapitalisten die zij spreekt, een voormalige CIA-agent wiens
bedrijf in Irak voor ongeveer honderd miljoen dollar aan overheidscontracten
binnenhaalde, vat de crisisexploitatie nog directer samen: „Wat ons
betrof, boden de angst en wanorde een ware belofte.” Een belofte van
ongebreidelde verrijking.
Naomi Klein legt daarmee een bom onder de veronderstelling dat vrije markten
hand in hand gaan met democratieën en alleen in stabiele landen zouden
kunnen floreren.
Het model dat Klein de ’shockdoctrine’ noemt, was dertig jaar
eerder bedacht door de gelauwerde maar ook bekritiseerde econoom Milton Friedman.
De Nobelprijswinnaar betoogde dat de periode van shocktoestand, die na een
ramp of crisis ontstaat, economische kansen biedt. Niet om een land te herbouwen,
maar om een vrije markt te introduceren, waarin de publieke sector geprivatiseerd
wordt. Als die ramp zich niet vanzelf voordoet, zou een regering volgens Friedman
en zijn aanhangers, een dergelijk crisisje moeten opwekken. Het Westen schiep
nooit een extreem vrije markt voor zichzelf – hoewel Friedman daar groot
voorstander van was – maar dwong die wel op aan landen zoals Chili,
Polen, Zuid-Afrika, Rusland en Irak.
De term shockdoctrine werd geboren in de gewelddadige Amerikaans experimenten
met shocktherapie van de jaren vijftig. In een door de CIA gesubsidieerd programma
werden psychiatrische patiënten met extreme stroomstoten behandeld, met
als doel dat zij zich daarna willoos zouden schikken in een nieuwe identiteit
die het programma voor hen ontworpen had. Het project faalde jammerlijk, maar
de bevindingen worden nog altijd gebruikt voor Amerikaanse verhoortechnieken
van shock and awe: het door intimidatie en isolatie opwekken van een shocktoestand
bij de gedetineerde, waardoor hij zich volkomen overgeeft.
Diezelfde shocktoestand kan ook op macroniveau worden opgewekt, bijvoorbeeld
door een natuurramp, een crisis of een oorlog, waardoor een heel land gedesoriënteerd
raakt. „De rampenkapitalist bidt om zo’n crisis”, schrijft
Klein, „zoals door droogte getroffen boeren om regen bidden.”
Klein documenteert haar voorbeelden over het algemeen uitstekend en hanteert
een eenvoudige maar doeltreffende aanpak. Ze volgt de geldstromen en de grote
zakelijke belangen en die blijken regelmatig naar bedrijven te leiden die
in handen zijn, of waren, van Amerikaanse politici of voormalige regeringsfunctionarissen.
Klein noemt met name oud-minister van defensie Donald Rumsfeld, Paul Bremer
(de eerste bewindvoerder in Irak), vicepresident Dick Cheney en diens vrouw
Lynne.
Ze laat zien dat er in het derde jaar van de Irakoorlog voor iedere buitenlandse
soldaat minstens drie buitenlandse contractanten actief waren, terwijl dat
tijdens de eerste Golfoorlog van 1991 slechts één contractant
op de honderd soldaten was. Het rampenkapitalisme gaat volgens haar niet alleen
ten koste van Iraakse werkgelegenheid, wat een wederopbouw onmogelijk maakt,
maar het betekent ook dat er een monster wordt gecreëerd dat er geen
belang bij heeft dat een crisis wordt opgelost. Klein kijkt echter verder
en voorziet dat de fondsen voor buitenlandse contractanten in Irak binnen
afzienbare tijd zullen opdrogen, wat de vraag oproept voor wie de huurlingen
en contractanten dan zullen gaan werken.
Wat ’De shockdoctrine’ zo leesbaar maakt, is dat Klein laat zien
dat die grote processen geen abstracte monsters zijn, maar dat er mensen met
doelbewuste beslissingen achter zitten. Beleidsmakers die in een lange nacht
een nationaal economisch plan schrijven voor een land dat in acute crisis
is gebracht, of functionarissen die eenvoudigweg niet over de juiste informatie
beschikken om goede beslissingen te nemen waardoor een land ten prooi valt
aan degelijk voorbereide rampenkapitalisten. Klein heeft een goed oog voor
de arrogantie van de econoom die ’de ondernemingszin’ prijst van
Russische burgers die – na de schaamteloze privatisering van hun land
– uit pure armoede op straat hun kleren en inboedel verkopen.
Een enkele keer faalt Kleins poging om aan de hand van haar shockdoctrine
de grote crises van de moderne geschiedenis te verklaren. Ze is goed ingevoerd
in een aantal conflicten en rampgebieden, zoals die in Irak, Polen, New Orleans
en Sri Lanka, maar haar interpretaties van de ontwikkelingen in China na de
demonstraties van 1989 gaan wel erg kort door de bocht. En de crisis in Afghanistan
laat zij grotendeels buiten beschouwing.
Behalve Milton Friedman en prominente economen en politici, moeten veel anderen
het in ’De shockdoctrine’ ontgelden. Daaronder bevinden zich ook
hulporganisaties en mensenrechtenorganisaties, zoals Oxfam, World Vision en
Amnesty International. Klein heeft bij tijden een uiterst scherpe pen, maar
op cynisme kan zij niet worden betrapt. Misschien put zij zelfs te veel hoop
uit de incidentele opstandjes en projecten die zich tegen de shockdoctrine
afzetten, zoals boerenopstanden in China of spontane dorpsverkiezingen in
Irak. Klein ziet vooral oplossingen in de veerkracht van de slachtoffers en
in hun deelname aan de wederopbouw, waardoor „zij niet alleen de gebouwen
maar ook zichzelf herstellen.”
’De shockdoctrine’ is daardoor een draaiboek van de hebzucht maar
geeft ook een aanzet tot weerbaarheid.
BOX
De Kleins zijn een familie van activisten
De Canadese journaliste Naomi Klein (Montreal, 1970) komt uit een familie
van activisten. Kleins grootvader werd door Disney ontslagen toen hij zich
voor collectieve arbeidsrechten inzette. Haar vader en moeder, die de anti-pornofilm
’Not a Love Story’ maakte, emigreerden uit protest tegen de Vietnamoorlog
van Amerika naar Canada. Broer Seth leidt het volgens Klein ’onmisbare’
Centre for Global Political Economy. In 2000 verwierf Naomi Klein wereldwijde
bekendheid met haar boek ’No Logo’, een aanklacht tegen de merkgerichte
consumptiecultuur. Het boek legde de gevolgen voor mens en milieu bloot van
de verstrekkende macht van de multinationals, met name in de schoenen- en
kledingindustrie. Het analyseerde daarnaast ook de beweging die zich tegen
deze ontwikkelingen verzette. ’No Logo’, dat al snel ’de
bijbel van de tegenbeweging’ werd genoemd, werd in 26 talen vertaald
en verkocht meer dan een miljoen exemplaren. Kleins columns verschijnen sindsdien
ook in Groene Amsterdammer.
Copyright: Halbertsma, Tjalling
Waarom de sovjets Wim de Wit deporteerden
Boeken, 29 September 2007
Tjalling Halbertsma
Zeventig jaar na dato heeft de journalist Hans Olink achterhaald waarom de dienstweigeraar Wim de Wit, woonachtig in Moskou, door de Russische geheime dienst van zijn bed werd gelicht en naar Siberië gedeporteerd.
Hans Olink: Een Siberische tragedie.
Atlas, Amsterdam.
ISBN 9789045000220; 240 blz., € 19,90
Hans Olinks nieuwste boek bevat eigenlijk twee verhalen: de arrestatie van
een Nederlandse man in de Sovjet-Unie en de reconstructie van de verdwijning
die daarop volgt.
Het verhaal van de tragedie is eenvoudig genoeg. In 1929 vertrekt het Nederlandse
echtpaar Wim en Augusta de Wit naar Moskou, waar Wim als ingenieur in de Sovjetindustrie
aan de slag zal gaan.
De Wit is geen lid of sympathisant van de communistische partij en zijn beweegredenen
voor de nieuwe dienstbetrekking zijn vooral van praktische aard. Hij heeft
in Nederland namelijk dienst geweigerd, en kan daardoor in eigen land maar
moeilijk aan werk komen. Het buitenland, eerst Berlijn en daarna Moskou, biedt
uitkomst. De Siberische tragedie begint dus welbeschouwd in Nederland.
De eerste jaren in Moskou zijn gemoedelijk en zorgeloos. Het paar koopt een
autootje waarmee het op stap gaat en het huis waar de twee Nederlanders wonen
wordt een ontmoetingsplaats voor de buitenlandse gemeenschap in Moskou.
Maar dan stuit het echtpaar tijdens verlof in Nederland op visumproblemen
en even lijkt het er op dat zij niet naar Rusland kunnen terugkeren. Na veel
aandringen weet De Wit toch de nodige Russische visa te bemachtigen en reist
het echtpaar nietsvermoedend het noodlot tegemoet.
In de nacht van 4 op 5 november 1936 wordt de Nederlandse ingenieur door de
geheime dienst van zijn bed gelicht en meegenomen. In het begin denkt Augusta
nog dat er een fout is gemaakt en dat haar man vast snel wordt vrijgelaten.
Maar dat gebeurt niet. En omdat Nederland geen diplomatieke betrekkingen met
de Sovjet-Unie onderhoudt, staat zij er alleen voor.
Weken, maanden, jaren is zij wanhopig in de weer om de vrijlating van haar
man te bewerkstelligen. Dan krijgt zij te horen dat Wim naar Siberië
is gedeporteerd. De brieven die zij naar haar man heeft gestuurd worden teruggezonden
met het verpletterende opschrift ’geadresseerde overleden’. Of
kan het opnieuw om een fout in het systeem gaan?
Aanvankelijk lijkt het erop dat de omstandigheden van De Wits verdwijning
nooit ontrafeld zullen worden, maar auteur Hans Olink is daar zeventig jaar
na dato niettemin in geslaagd. En dat is het verhaal dat dit boek zo waardevol
maakt.
Olink, journalist en redacteur voor het VPRO-radioprogramma OVT, stuit al
in 1988 op het verhaal van de verdwijning van De Wit. In de jaren die volgen
spreekt hij met nabestaanden, reist hij regelmatig naar Moskou en krijgt hij
toegang tot de brieven van Augusta en een koffer vol notities en dagboeken
van het echtpaar. Aan het eind van zijn zoektocht krijgt Olink ook van de
Russische autoriteiten toestemming om het strafdossier van De Wit in te zien
in de archieven van de NKVD, de voormalige geheime dienst. Maar vervolgens
wordt hem een Russisch visum geweigerd. Olink weet desondanks de dossiers
in handen te krijgen.
De transcripties van de verhoren die De Wit in Moskou werden afgenomen, blijken
cruciaal voor de vraag waarom De Wit gearresteerd werd en hoe het hem daarop
verging. De Wits mugshots, die het omslag vormen, tonen een aangeslagen man
die vermoeid in de lens kijkt, de haren nog in de war van de nachtelijke arrestatie.
Stap voor stap weet Olink de martelgang van De Wit te reconstrueren en Augusta’s
vragen over het lot van haar man te beantwoorden. En Olink is een goed verteller.
De auteur beperkt zich daarbij niet tot het weergeven van een aangrijpend
verhaal maar hij heeft de tijd genomen om het sovjetsysteem achter De Wits
arrestatie in kaart te brengen. Hij laat zien dat het systeem niet meer te
stoppen is als het eenmaal in werking is gesteld en uiteindelijk zelfs faalt
om Augusta ervan op de hoogte te brengen dat haar echtgenoot is gerehabiliteerd.
De titel verraadt dat dit boek echter geen goede afloop heeft.
’Een Siberische tragedie’ is een sterk staaltje onderzoeksjournalistiek
en geeft inzicht in een hartverscheurende geschiedenis die zeventig jaar lang
geheim is gebleven.
Copyright: Halbertsma, Tjalling
Quanzhou houdt erfgoeduitverkoop
Wereld, donderdag 27 september 2007
Tjalling Halbertsma
De traditionele wijkjes van Quanzhou worden afgebroken. Het eeuwenoude religieuze erfgoed ligt te koop op de bouwmarkt.
Donkere silhouetten van bouwvakkers met sloophamers tekenen zich af tegen
de avondlucht van de Chinese havenstad Quanzhou. Balancerend op de ruïnemuren
breken zij de traditionele wijkjes steen voor steen af, om zo plaats te maken
voor moderne kantoren en winkelstraten. Met iedere slag van hun sloophamer
wolkt het puinstof op.
De sloop gaat regelmatig met protest gepaard. Van de oorspronkelijke bewoners
die hun wijk uit moeten, maar ook van organisaties die zich tegen de afbraak
van de historische stadsarchitectuur uitspreken. Want juist Quanzhou is een
stad met een lange geschiedenis.
Marco Polo bezocht Quanzhou in de dertiende eeuw en noemde het een van de
belangrijkste havensteden ter wereld (zie inzet). Internationaal was het stadje
zeker. In de haven werd Chinees, Arabisch en Syrisch gesproken en in het centrum
stonden behalve de gebruikelijke taoïstische en boeddhistische kloosters,
ook moskeeën, kerkjes en minstens één hindoeïstische
tempel. Er zou zelfs een synagoge zijn geweest.
Inmiddels is er heel wat veranderd in het stadsbeeld. Quanzhou is een uniforme
en moderne stad geworden, zoals er zoveel langs de zuidkust van China te vinden
zijn. Alleen de ruïnemuren van de oudste moskee in China zijn nog te
bezichtigen. Van de dertiende-eeuwse kerkjes en tempels is vrijwel niets meer
te bekennen.
Tenzij er een historisch wijkje tegen de vlakte gaat. Dan is de kans groot
dat er plotseling weer iets van het erfgoed wordt opgegraven. Onder het gevelplamuur
kan houtsnijwerk vandaan komen of in de fundamenten van gesloopte huizen een
eeuwenoud stenen beeld of een inscriptie. Vooral de stadsmuren van Quanzhou
zijn een belangrijke vindplaats van historisch materiaal. Zo heeft de stad
zijn belangrijke collectie nestoriaanse, islamitische en hindoeïstische
erfstukken aan de afbraak van de eeuwenoude stadswallen te danken. De objecten,
voornamelijk grafstenen en religieuze beelden, dateren uit de dertiende eeuw,
toen China door een kleinzoon van Djengis Khan werd geregeerd die het land
voor handel opende.
Nadat de Mongoolse dynastie was verslagen, werden de buitenlandse termpels
en gebedsplaatsen gebrandschat. Van het puin dat overbleef, werd de stadsverdediging
opgebouwd. De grafstenen werden als bouwmateriaal in muren en fundamenten
gebruikt en de beelden in nieuwe fundamenten gestort. Zulk materiaal wordt
sinds Quanzhou’s bouwwoede met grote regelmaat opgegraven.
„Constructiebedrijven die op historisch materiaal stuiten, zijn verplicht
de bouw stil te leggen en de vondsten bij ons te melden,” zegt een curator
van het Maritieme Museum van Quanzhou, het museum waar het nestoriaanse, islamitische
en hindoeïstische erfgoed van de stad beheerd wordt. „En er wordt
nog heel wat gevonden,” gebaart hij naar de opslagruimte van het museum.
De collectie is zodanig toegenomen dat het materiaal voorlopig achter het
museum wordt tentoongesteld. Elke keer als er een traditionele wijk tegen
de vlakte gaat, kan het museum een stroom aan nieuwe objecten verwachten.
De beeldencollectie van het Maritieme Museum werd door de Chinese verzamelaar
Wu Wenliang in de jaren veertig van de vorige eeuw begonnen. Wu verzamelde
de objecten op precies dezelfde wijze als dat nu gebeurt. Hij bezocht de bouwputten
van de stad en vooral de stadsmuren, toen die tijdens de Japanse invasie werden
afgebroken om een deel van de stad onder water te zetten. In de verwoeste
muren trof hij stenen afbeeldingen aan van vroegchristelijke engelen met Chinese
gelaatstrekken, en inscripties in talrijke talen en schriften. De christelijke
inscripties zijn voornamelijk in het Syrisch opgesteld, de liturgische taal
van de nestoriaanse kerk van het Oosten. Andere inscripties zijn in het Latijn
of Arabisch geschreven. De gelijkenis tussen de islamitische en vroegchristelijke
grafzerken is treffend en het lijkt erop dat de nestoriaanse christenen hun
grafmateriaal op dat van de moslims in Quanzhou baseerden.
Een deel van Wu’s collectie is verloren gegaan tijdens de Culturele
Revolutie toen Wu, zoals zoveel intellectuelen, werd vervolgd en in het gevang
belandde. Rode Gardisten vernielden een deel van Wu’s kostbare verzameling,
waaronder een unieke afbeelding van een Chinese engel die nu alleen op een
foto is bewaard gebleven. Het restant van de collectie werd na de Culturele
Revolutie (1966-1976) verdeeld over tenminste drie belangrijke provinciale
musea, waaronder het Maritieme Museum van Quanzhou. Het museum is zich maar
al te bewust van de waarde van het materiaal. Grafstenen die tijdens de Culturele
Revolutie kapot werden geslagen, worden aan de hand van fotomateriaal gereconstrueerd
en opnieuw uit steen gehouwen.
Maar nu kampt het museum met een nieuw probleem. Door de recente stadsvernieuwing
is de collectie enorm gegroeid, maar in de vondsten zijn niet meer uitsluitend
musea geïnteresseerd.
„Niet alles wat in bouwputten wordt aangetroffen, wordt bij ons gebracht,”
zegt de curator, die niet met naam genoemd wil worden. „Soms verdwijnt
het materiaal en wordt het stiekem door de bouwvakkers achterover gedrukt.”
Of door het bedrijf dat de bouwput beheert.
Steeds vaker worden antieke stenen sculpturen in de muren van nieuwe huizen
gemetseld. Andere objecten verdwijnen op de antiekmarkt. Stenen met inscripties
die vroeger als vulmateriaal werden gebruikt, hebben opeens weer waarde. Bouwbedrijven
zijn dan ook begonnen het materiaal te verzamelen. Ook al is dat eigenlijk
bij wet verboden.
„China heeft strenge wetten voor het behoud van ons cultureel erfgoed,”
zegt de curator van het Maritieme Museum. „Het ontbreekt alleen aan
controle op de uitvoering daarvan.”
En de bedrijven zijn de musea maar wat vaak voor. Sinds kort kent de stad
zelfs een bouwmarkt voor historisch constructiemateriaal. De bouwmarkt opereert
in het schemergebied tussen handel en kunstcollectie. Het bedrijf is in een
voormalige tempel gehuisvest, die tot de nok toe gevuld is met stenen beelden,
dakornamenten en gevelstenen. Buiten staan houten tempelhallen opgesteld,
en traditionele daken met geglazuurde daksculpturen. Er wordt materiaal tentoongesteld,
maar uiteindelijk blijkt alles er te koop te zijn.
In een van de binnenplaatsen bikken steenhouwers de cementresten van honderden
bakstenen. Het bouwmateriaal is afkomstig uit een eeuwenoude graftombe die
onlangs in een bouwput werd aangetroffen en snel door een handelaar is opgekocht.
„Er komt hier van alles binnen,” zegt een werknemer, terwijl hij
met zijn spatel voorzichtig de klei van een van de bakstenen wegsteekt. Op
de zijkant van de steen komt met iedere haal van zijn spatel een delicate
afbeelding van een Chinese krijger of leeuw te voorschijn. Vrijwel iedere
steen is op dezelfde manier van grafsymbolen voorzien.
„Songdynastie,” zegt de man als hij de afbeelding schoon heeft
gemaakt, „of op zijn minst Ming.” Dat zou betekenen dat de graftombe
vijf eeuwen geleden gebouwd is, misschien wel eerder. De grafstenen zijn zo
bijzonder dat een aantal andere exemplaren in het Museum voor Zuid-Chinese
Cultuur worden tentoongesteld. Daar liggen de stenen veilig achter glas en
zijn ze van een museumtekst voorzien.
Op de bouwmarkt is het materiaal simpelweg te koop voor de hoogste bieder.
De museumcurator heeft slechts het nakijken. Want over een ruim aankoopbudget
beschikt het museum niet. Daarmee verliest Quanzhou niet alleen zijn oude
wijkjes maar ook in toenemende mate het erfgoed dat daaronder verborgen ligt.
BOX: Quanzhou, het eindpunt van de Zijderoute In de 13de eeuw was Quanzhou
een van de belangrijkste internationale havens ter wereld. Marco Polo zeilde
vanuit Quanzhou terug naar Europa. Rk missionarissen gingen er destijds juist
aan wal om de binnenlanden van China in te trekken. De nestoriaanse en islamitische
inwoners arriveerden over land vanuit het Midden-Oosten. Quanzhou wordt daarom
ook wel het eindpunt van de Zijderoute genoemd. Het handelsstadje was zo belangrijk
dat het op veel vroege kaarten staat afgebeeld. Verder is het zo goed gedocumenteerd
dat het figureerde in een van de beroemdste manuscriptvervalsingen van de
20ste eeuw. In 1997 publiceerde de Engelsman David Selbourne ’The City
of Light’. Het boek bevat een vertaling van de volgens Selbourne nieuw
ontdekte dagboeken van de Joodse handelaar Jacob d’Ancona. Volgens Selbourne
bereikte D’Ancona China vier jaar eerder dan Marco Polo en vestigde
hij zich aan het eind van de 13de eeuw in Quanzhou. Ook D’Ancona geeft
in zijn dagboeken een beschrijving van de nestorianen en moslims van Quanzhou.
Selbourne zegt zich te baseren op een manuscript dat in Italië wordt
bewaard, maar wil bron noch manuscript prijsgeven.
Specialisten die de vertaling bestudeerden, doen het werk af als een goed
gedocumenteerde en spectaculaire vervalsing. Wang Lianmao, de directeur van
het Maritieme Museum van Quanzhou, is er echter van overtuigd dat het om een
authentiek manuscript gaat. Jacob d’Ancona’s dagboeken zijn daarom
in een Chinese vertaling in de museumwinkel te koop.
Copyright: Halbertsma, Tjalling
Van de arme steppe naar de nog armere stad
vrijdag 14 september 2007
Tjalling Halbertsma Oelan Bator
Armoede drijft de steppebewoners van Mongolië massaal naar Oelan Bator, de hoofdstad. Maar in de steden is de armoede mogelijk nog groter.
Toen de Nederlandse kunstschilder Willem Dooijewaard rond 1926 in Oelan Bator
aankwam, trof hij een kloosterstad aan die voornamelijk uit vilten ger-tenten
bestond. Dooijewaard schilderde een slaperige stad, nog voordat die in de
greep van het socialisme terecht zou komen. De stadsarchitectuur werd door
kloosters gedomineerd. Oelan Bator, de hoofdstad van Mongolië, was een
stad van monniken en nomaden. Rond de kloosters werd vee verhandeld en het
stadsverkeer bestond voornamelijk uit ruiters en pelgrims.
Wie Oelan Bator nu bezoekt, zal weinig meer van Dooijewaards idyllische stadsgezichten
herkennen. De plattelandsbewoners van Mongolië trekken massaal naar de
steden. Over de hele wereld genomen groeien de steden met een miljoen inwoners
per week. Volgend jaar wonen er volgens het bevolkingsfonds van de Verenigde
Naties zelfs meer mensen in de stad dan op het platteland. Oelan Bator, één
van de drie echte steden van het Aziatische land, verwelkomde onlangs zijn
miljoenste inwoner. De steppe van Mongolië, nu al een van de meest uitgestorven
plekken op aarde, wordt dus steeds leger. Nog even en ook de laatste nomadische
samenleving op aarde is verstedelijkt.
Neem Dooijewaards schilderij van het Choijin klooster in Oelan Bator. Het
werd gebouwd als residentie voor een boeddhistische incarnatie. Dooijewaard
trof er veehandelaren aan, en een tempelcomplex waarvan de karakteristieke
daken zich tegen de eeuwige blauwe lucht van het steppeland aftekenden. Inmiddels
is het klooster, een van de weinige historische gebouwen in de stad, door
glimmende kantoortorens en flats ingeklemd. Het stadscentrum, in Dooijewaards
dagen nog een open vlakte met sporadische laagbouw, is een bouwput geworden
waaruit moderne kantoortorens oprijzen. Voor de herders in de steppe, waar
geen hoogbouw te vinden is en iedereen in een ger-tent woont, moet het duizelingwekkend
zijn.
Oelan Bator bestaat overigens nog altijd voor een belangrijk deel uit ger-tenten.
In de hoofdstedelijke buitenwijken groeien de ger-districten als nooit tevoren.
De districten, het Mongoolse equivalent van de sloppenwijk, worden bewoond
door de allerarmsten. De voorzieningen zijn er ronduit slecht: er is geen
stromend water, geen riolering en vaak geen elektra. Omdat er op kolen en
hout wordt gestookt, zijn de wijken permanent onder een dikke laag smog bedekt.
’s Winters is er amper vijftig meter zicht.
De overheid lijkt zich er weinig zorgen over te maken. Tijdens een feestelijke
ceremonie werd de geboorte van de miljoenste inwoner gevierd. De overheid
bood drie baby’s een appartement aan.
Het is waarschijnlijker dat de miljoenste inwoner een berooide herder is die
zijn ger-tent in een van de buitenwijken opbouwde dan een baby, zegt Michael
Kohn. Kohn, een Amerikaanse publicist, werkte jarenlang voor een Mongoolse
krant in Oelan Bator. De migratiestroom vanaf de steppe naar de stad is groot.
Voor de immigranten is er geen uitzicht op werk of toekomst. Een zorgwekkende
ontwikkeling, meent Kohn, en zeker geen gelegenheid voor een feestje.
„De stad is in de laatste drie jaar met ruim twaalf procent gegroeid,
ten koste van het platteland”, zegt Kohn. „In de steppe is de
bevolking evenzoveel afgenomen.” En het aantal migranten uit de steppe
lijkt alleen maar toe te nemen. Volgens Kohn heeft niet alleen het regionale
beleid om de steppe te ontwikkelen gefaald, maar kan ook Oelan Bator de stadsmigratie
niet meer aan.
„Volgens statistieken heeft slechts 2,5 procent van de nieuwkomers een
goed onderkomen in Oelan Bator weten te vinden”, zegt Kohn. De rest
woont illegaal in de sloppenwijken. Er is, ondanks de enorme bouwactiviteiten,
simpelweg niet genoeg woonruimte in de stad. Daar komt bij dat de steppemigranten
zich helemaal geen appartement kunnen veroorloven. Het is immers de armoede
die hen naar de stad heeft gedreven. De recente grondprivatisering heeft de
huizen- en grondprijzen torenhoog opgedreven. Daardoor zijn ook de huren fors
omhoog gegaan.
Toch is er volgens Kohn een uitweg. In het huidige systeem moeten de provincies
de belastingen aan de centrale overheid in Ulaanbaatar afdragen. Die centrale
overheid verdeelt die gelden. Kohn: „De lokale overheden in de steppe
moeten meer autonomie krijgen om hun eigen beleid te formuleren en hun belastingsgelden
spenderen aan zaken die de bevolking in de steppe houden.” Want de lokale
overheden weten het beste wat er moet gebeurden. Maar volgens Kohn gaat het
ook om een mentaliteitsverandering. „Als het stadsbestuur de komst van
de miljoenste inwoner viert, maar eigenlijk niet voor die inwoner kan zorgen,
is er iets danig mis met het beleid.”
Voorlopig zal Oelan Bator blijven groeiden. Inmiddels woont ook in Mongolië
de helft van de bevolking in de stad. De hoofdwegen staan dagelijks vol files
en de huizen zijn grauw van de smog.
Wie een ongecompliceerd en rustiek beeld van Mongolië wil zien, moet
niet naar Oelan Bator trekken, maar de schilderijen van Dooijewaard gaan bekijken.
Of naar de steppe trekken: die wordt met de dag steeds leger.
BOX: Idyllisch is Oelan Bator allang niet meer
Willem Dooijewaard in Oelan Bator Willem Dooijewaard (1892-1980) volgde zijn
schildersopleiding aan de Rijksschool voor Kunstnijverheid in Amsterdam. Ook
kreeg hij onderwijs van zijn oudere broer Jacob Dooijewaard, die als kunstschilder
in het Gooi actief was. Op twintigjarige leeftijd trok Willem Dooijewaard
naar Nederlands-Indië. In de jaren die volgden bereisde hij grote delen
van Azië, waaronder China en Japan. In de jaren twintig van de vorige
eeuw bezocht hij Tibet en Mongolië, twee landen die als zeer ontoegankelijk
te boek stonden. Dooijewaard schilderde vrijwel alle belangrijke tempels van
Oelan Bator waaronder het Choijin klooster. In een interview in De Prins in
1937, noemde Dooijewaard Oelan Bator ‘de stad van de boeddhistische
tempels en kloosters’. Makkelijk was het schilderen er niet. Bolsjewieken
maakten Dooijewaard regelmatig het leven zuur door zijn papieren te controleren
of vergunningen voor zijn werk te eisen. Het merendeel van de tempels die
Dooijewaard vastlegde, werd enkele jaren later door de communisten gesloten
en vernield. Dooijewaards schilderijen hebben dus een belangrijke historische
waarde. Het Choijin klooster bleef echter gespaard om als atheïstisch
museum dienst te doen. Behalve stadsgezichten en landschappen bekwaamde Dooijewaard
zich ook in portretten van de lokale bevolking. Een aantal van Dooijewaards
schilderijen is in het Singer Museum in Laren te bezichtigen. Het schilderij
van de paardenmarkt voor de poort van het Choijin klooster is in particulier
bezit.
Copyright: Halbertsma, Tjalling
'Zeestraat scheidt China en Taiwan niet, zij verbindt ze'
Wereld, zaterdag 8 september 2007
Tjalling Halbertsma
Quanzhou: Een spiksplinternieuw museum in de Chinese stad Quanzhou, letterlijk op schootsafstand van Taiwan, moet wetenschappelijk aantonen dat Taiwan onlosmakelijk met China is verbonden.
Het nieuwe Taiwan-Fujian museum in Quanzhou heeft een expositiecentrum op
een schaal die menig nationaal museum doet verbleken. Dat het museum een politieke
boodschap heeft, wordt al bij de ingang duidelijk. Er is geen kaartjesverkoop
en de toegang is vrij. En dat is ongebruikelijk in een land waar reguliere
musea entreegelden niet graag willen mislopen. Opmerkelijk: er zijn meer mensen
op het museumplein te vinden dan in de enorme expositieruimtes. Het moet gezegd
worden, de museumtuin is van aangename bloemenprieeltjes voorzien en op het
plein is het voor de plaatselijke jeugd goed skeeleren.
„We weten het allemaal wel,” verzucht een zeventienjarig meisje
dat op de eindeloze museumtrappen zit uit te rusten. „Het is toch iedere
keer hetzelfde liedje.”
Dat liedje begint in China met het benadrukken dat Taiwan en het Chinese vasteland
onherroepelijk met elkaar verbonden zijn. Waar menig eiland door een zeestraat
van het vasteland wordt gescheiden, wijst het museum er juist op ’dat
Taiwan door de Straat van Taiwan met het Chinese vasteland wordt verbonden’.
De gedeelde oorsprong zou zich ook uitdrukken in taal, etniciteit, cultuur
en andere zaken die Taiwan en Zuid-China gemeen hebben.
De werkelijkheid is complexer. Het klimaat in de Chinese kustprovincie Fujian
en in Taiwan mag dan wel hetzelfde zijn, de oorspronkelijk bewoners van de
kustprovincie en het eilandje zijn dat allerminst. In Taiwan hebben die meer
gemeen met de eilandbewoners van Micronesië en Polynesië dan met
de Han-Chinese bevolking op het vasteland. Ook de oorspronkelijke eilandcultuur
onderscheidt hen van de Han-Chinezen.
Peking lijkt dat te bevestigen door de oorspronkelijke bevolking van Taiwan
onder de Chinese verzamelnaam Gaoshan als minderheidsgroep te erkennen. Een
status die Peking ook aan de Tibetanen, Oeigoeren en Mongolen toekent, en
die de etnische diversiteit van China moet benadrukken.
De Han-Chinese migratie naar Taiwan kwam pas in de zeventiende eeuw echt op
gang en de banden tussen de Chinezen op het eiland en in de daar tegenover
gelegen kustprovincie Fujian stammen dus uit een recent verleden.
De oorspronkelijke bevolking is simpelweg onder de voet gelopen door zeventiende-eeuwse
immigranten en door de nationalisten, toen die halverwege de twintigste eeuw
voor de communisten naar Taiwan uitweken.
Behalve recente Han-Chinese familiebanden zijn het inmiddels voornamelijk
economische belangen die de Zuid-Chinese kustprovincie met Taiwan verbinden.
Taiwanese ondernemers hebben de laatste jaren enorm in Fujian geïnvesteerd.
Analisten wijzen er op dat Taiwan zich om economische redenen geen afscheiding
van China kan veroorloven. Economische samenwerking maakt dan ook een belangrijk
deel uit van Pekings Taiwan-beleid. In en rond Quanzhou is dat maar al te
goed te zien. De warenhuizen exploiteren Taiwanese winkelformules en Taiwanese
fabrieken zorgen er voor werkgelegenheid.
„Uiteindelijk werken we hier allemaal voor Taiwanese bazen,” vat
een werknemer van een Taiwanese noedel-bar de economie van Quanzhou samen.
BOX
Peking beschouwt Taiwan als een opstandige provincie en heeft herhaaldelijk
aangegeven militair in te zullen grijpen als het eiland de onafhankelijkheid
uitroept. Aan de Chinese zijde van de Straat van Taiwan staan 900 raketten
richting Taiwan opgesteld. Maar ook Taiwan heeft raketten klaar staan. Af
en toe komt er nieuws naar buiten over een Taiwanese raketproef.
Terwijl Peking alle minderheidsgroepen op Taiwan onder de verzamelnaam ’bergvolken’
groepeert, onderscheidt de Taiwanese regering maar liefst dertien minderheidsgroepen.
Bij elkaar vormen die nog geen twee procent van de eilandbevolking. De overgrote
meerderheid van Taiwan’s bevolking bestaat inmiddels uit Han-Chinese
immigranten. De oorspronkelijke bewoners van Taiwan zijn sterk gemarginaliseerd
en wedijveren daarom voor meer erkenning en bescherming.
Copyright: Halbertsma, Tjalling
Orde in de chaos
maandag 23 juli 2007
Tjalling Halbertsma
Naturalis kan maar een fractie van haar materiaal in de expositiezalen
kwijt. De rest staat in de collectietoren. Die is nu even open.
Iedere verzamelaar, of hij nu hobbyist of museumconservator is, krijgt er
op een dag mee te maken. Als de collectie groeit, ontstaat de noodzaak om
een ordening in het materiaal aan te brengen. Op weinig plekken is dat beter
te zien dan in de collectietoren van Naturalis waar naar schatting ruim twaalf
miljoen objecten zijn opgeslagen. Deze zomer is de toren voor het eerst in
de geschiedenis van het museum heel even open voor het publiek.
Een kijkje in de toren van Naturalis is een wandeling langs een enorme dierentuin
van opgezette gorilla’s, herten, wrattenzwijnen en paradijsvogels. De
dieren staan in levensechte poses op de planken. Alleen de ogen laten zich
niet conserveren en zijn dus van glazen kraaltjes gemaakt. En dan zijn er
de vissen op sterk water, in aquaria of eeuwenoude wekflesjes, en duizenden
vlinders en kevers. De collectie is zo omvangrijk dat de vogeltjes tegenwoordig
niet meer op stokjes worden gezet maar ’gebalgd’ worden. Daarbij
worden de dieren met de pootjes en vleugels stijf langs het lijf geprepareerd,
wat simpelweg veel ruimte bespaart. En dat moet ook wel, want de aantallen
in de toren van Naturalis zijn duizelingwekkend. De collectie bestaat uit
een miljoen gewervelde dieren, ruim vijf miljoen insecten en drie miljoen
ongewervelde dieren - om van het aantal gesteenten, mineralen en fossielen
nog maar te zwijgen. Slechts een fractie van het materiaal kan in de expositiezalen
getoond worden. Een kijkje achter de schermen van het museum is dus een uitgelezen
kans om objecten te zien die waarschijnlijk nooit in een tentoonstelling terecht
zullen komen. Het is voor de bezoeker letterlijk ’nu of nooit’.
De openstelling van de toren maakt deel uit van de tijdelijke tentoonstelling
’Kijk op collectie: ordening’, die deze zomer in Naturalis te
bezichtigen is. De tentoonstelling is gewijd aan de geschiedenis van de taxonomie
en de systematiek binnen de biologie waarvoor Carolus Linnaeus in 1735 in
Leiden de grondslagen legde. De Zweedse Linnaeus bedacht toen een systeem
waarbij alle soorten in twee Latijnse namen benoemd worden. En nog altijd
worden er nieuwe soorten ontdekt die geclassificeerd moeten worden. Na ruim
250 jaar is Linnaeus’ systeem dus nog altijd in gebruik. Naturalis biedt
bezoekers van de tentoonstelling nu de mogelijkheid om een naam voor een nieuw
ontdekte soort te bedenken (zie Box).
’Kijk op collectie’ laat in de eerste plaats de ontwikkeling binnen
de classificatie van soorten zien. Die ontwikkeling begint bij de zeventiende-eeuwse
rariteitenkabinetten, waarin de eerste natuurhistorische collecties als exotische
praalvoorwerpen werden gepresenteerd. Daaronder bevindt zich een paradijsvogel
die door een gewiekste handelaar van een eksterkop werd voorzien. De kleurrijke
objecten worden begeleid van een gedegen maar toegankelijke uitleg van het
werk van Linnaeus en zijn Franse rivaal Georges Buffon. Terwijl Linnaeus nog
van een goddelijke orde in de schepping sprak was het Buffon die opmerkte
dat soorten zich aan hun omgeving konden aanpassen en dus evolueerden. Buffon
legde daarmee een basis voor de evolutietheorie. Charles Darwin zou hem daarom
de eerste evolutionist noemen.
Ook Linnaeus eerde Buffon door een plantensoort naar zijn rivaal te vernoemen.
Het duo dat zo onlosmakelijk met de taxonomie verbonden is, staat dan ook
centraal in deze expositie.
’Kijk op collectie: ordening’ is een bijzondere en verrassende
expositie die niet alleen orde in de chaos schept maar met name de overweldigende
en spectaculaire diversiteit van de natuur benadrukt.
BOX
Type-exemplaren Nog altijd worden er nieuwe soorten ontdekt. Bezoekers van
'Kijk op collectie: ordening’ kunnen deze zomer iedere maand een suggestie
doen voor de naam van een nieuw ontdekte soort. Het gaat in de maanden juli,
augustus en september, om een kever, slak en een visje die allen door medewerkers
van Naturalis ontdekt werden. Formulieren liggen in de tentoonstellingszaal.
De ontdekkers zullen bij het bedenken en registreren van de nieuwe soortnaam
de suggesties van de bezoekers meenemen. De nieuw ontdekte soort zal dan in
de collectie van Naturalis als type-exemplaar worden opgenomen. Een type-exemplaar
dient als standaard voor zijn soort en wordt bewaard als referentie voor toekomstige
ontdekkingen. Een aantal van deze uiterst waardevolle en kostbare objecten
is in de tentoonstelling te bezichtigen. Eén daarvan werd nog door
Linnaeus zelf beschreven.
Tentoonstelling Tentoonstelling ’Kijk op collectie: ordening’ tot 28 nov. in Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden. Info op internet: www. naturalis.nl
Copyright: Halbertsma, Tjalling
Mongoolse zieken kopen retourtje China
Wereld, vrijdag 18 mei 2007
Tjalling Halbertsma
Hohhot: Patiënten in Mongolië zijn aangewezen op het buitenland, want hun eigen gezondheidszorg ontbreekt het aan alles: water, electriciteit, specialisten, en vooral geld.
Erdene Munkhbaatar rilt van de fikse koorts die hem al dagen teistert. Hij
is duidelijk ziek, maar in Mongolië hebben zijn artsen geen diagnose
kunnen stellen, laat staan dat ze hem kunnen behandelen. Op advies van zijn
arts heeft Munkhbaatar daarom het vliegtuig naar Hohhot in noord-China genomen
om zich in een Chinees ziekenhuis te laten onderzoeken. Als de wekelijkse
dienstvlucht tussen de Mongoolse hoofdstad Oelan Bator en Hohhot opstijgt,
parelen er kleine zweetdruppeltjes op zijn voorhoofd.
Munkhbaatar maakt zich in de eerste plaats zorgen of hij China wel in zal
komen, nu hij zo ziek is. Sinds de Sars-uitbraak in 2003 worden bij de Chinees-Mongoolse
grens temperatuurcontroles uitgevoerd. Reizigers met koorts, een van de symptomen
van Sars, kan de toegang tot China worden ontzegd. Munkhbaatar gokt erop dat
de controleapparatuur inmiddels niet meer gebruikt wordt en het allemaal wel
los zal lopen.
„We hebben geen goede ziekenhuizen in Oelan Bator”, verzucht hij,
„wie in Mongolië echt ziek wordt moet naar het buitenland om zich
te laten behandelen.”
Patiënten die dat kunnen betalen reizen naar Korea of Japan waar de gezondheidszorg
kwalitatief goed is, maar buurlanden Rusland en China zijn ook populair. Met
name Hohhot is bij patiënten uit het steppeland in trek omdat het ziekenhuis
er goedkoop is.
„Mongolië heeft een regeling met China getroffen, zodat we in Hohhot
voor lokale prijzen behandeld kunnen worden”, legt Munkhbaatar uit.
„In andere steden betalen we de prijzen die voor alle buitenlanders
gelden.”
Patiënten die specialistische hulp nodig hebben maar de reis en behandeling
in het buitenland niet kunnen betalen, zijn op hulporganisaties aangewezen,
want in Mongolië zelf is de gezondheidszorg uiterst basaal en beperkt.
De ziekenhuizen in Oelan Bator beperken zich tot routineoperaties, zoals een
blindedarm verwijderen of een keizersnede uitvoeren. Het ontbreekt de ziekenhuizen
aan zowel specialisten als medische apparatuur. Mongoolse artsen die in het
buitenland zijn opgeleid beginnen vooral particuliere klinieken, maar ook
die kunnen geen uitgebreide specialistische gezondheidszorg aanbieden.
Buiten Oelan Bator, in de uitgestrekte steppe, is het nog erger met de medische
zorg gesteld. „In de plattelandsklinieken is gebrek aan vrijwel alles”,
zegt Per Bjorgaas, een Noorse huisarts die voor de Lutherse missie een gezondheidsproject
in Mongolië leidt. „Om te beginnen is er geen elektriciteit, en
geen stromend water.”
Vooral in de steppe is de toegang tot de gezondheidszorg problematisch. De
bevolkingsdichtheid van Mongolië is met gemiddeld anderhalve persoon
per vierkante kilometer laag. De klinieken liggen daarom ver van elkaar, terwijl
er maar bar weinig goede wegen zijn. Die lange afstanden spelen met name patiënten
parten die spoedeisende hulp behoeven. Een behoorlijk functionerende ambulancedienst
is er niet.
Dokter Borgaas betwijfelt of er snel goede gezondheidszorg in Mongolië
zal komen. „Het ontbreekt hier voornamelijk aan geld.” Geld dat
hard nodig is voor gespecialiseerde opleidingen, arbeidsplaatsen en medisch
materieel.
Voorlopig zullen patiënten als Munkhbaatar voor gespecialiseerde zorg
dus blijven aangewezen op ziekenhuizen in het buitenland.
Een week na zijn vertrek is Munkhbaatar weer terug in Oelan Bator. Niet alleen
is hij China ondanks zijn koorts binnengekomen, maar ook heeft hij na een
grondig medisch onderzoek medicijnen tegen nierstenen en een leververvetting
kunnen kopen. Nu zijn koorts weer gezakt is en hij zich geen zorgen meer lijkt
te hoeven maken, is hij vooral boos. Boos op het gebrek aan medische zorg
in Mongolië, en op het Chinese ziekenhuis dat volgens hem veel te duur
is.
Copyright: Halbertsma, Tjalling
Fotovergelijking onthult verval Grote Muur
zaterdag 28 april 2007
Tjalling Halbertsma
Xijiazi: De Grote Muur in China blijkt in relatief korte tijd over grote afstanden te zijn vervallen. Een fotograaf legde een eeuw verval vast van een van de bekendste monumenten op aarde.
Het is aardedonker en de koeien slapen nog als William Lindesay vanuit zijn
boerenhuis de bergen ten noorden van Peking in loopt. Behalve camera’s
en een statief heeft hij een zwart-wit foto van de Grote Muur bij zich, die
ruim een eeuw eerder gemaakt werd. „Het idee is heel simpel”,
zegt de Engelsman, „we zoeken de locatie waar deze foto destijds genomen
is, en nemen daar, onder dezelfde omstandigheden, een nieuwe opname van de
Grote Muur.”
Het resultaat is zowel verbluffend als aangrijpend. In een eeuw blijkt het
reusachtige bouwwerk in de foto grotendeels verloren te zijn gegaan. Torens
die ooit op de bergkammen stonden zijn ingestort en tientallen meters Muur
zijn volkomen verdwenen. „Het grootste probleem is de locatie te vinden
waar de historische foto werd genomen”, legt Lindesay uit, „vaak
is er geen plaatsnaam bij de foto vermeld en hebben we dus alleen het beeld
om ons op te oriënteren.” De Engelsman legde de afgelopen jaren
dan ook ruim 35 duizend kilometer af om locaties in historische foto’s
terug te vinden.
Lindesay, die waarschijnlijk de grootste collectie historische foto’s
en prenten van de Grote Muur heeft opgebouwd, maakte de afgelopen jaren honderden
vergelijkende opnames van de Muur die nu in het Hoofdstedelijk Museum in Peking
geëxposeerd worden. Lindesay’s fotografie laat zien dat de Muur
niet alleen slachtoffer is geworden van verval maar dat het meestal mensenhanden
zijn die het bouwwerk vernietigen. Liepen er 100 jaar geleden nog tunneltjes
door de muur, inmiddels zijn het snelwegen die zich door China’s meest
bekende symbool boren.
Andere fotovergelijkingen laten onmiskenbaar zien hoe de karakteristieke historische
houten barakken op de Muur door projectontwikkelaars zijn uitgebouwd tot toeristenattracties.
En dan de stenen inscripties die op belangrijke plaatsen in de Grote Muur
gemetseld werden. De meeste zijn inmiddels weg gebikt en op de antiekmarkt
beland.
„Met name in de jaren ’90 is het heel snel gegaan”, zegt
Lindesay, „ik kan nu zelfs mijn foto’s van de jaren ’80
gebruiken om te laten zien wat er verdwenen of beschadigd is.”
Lindesay’s fascinatie voor het grootste bouwwerk op aarde begon in 1987,
toen hij de gehele lengte van de muur te voet aflegde. Op zijn tocht werd
hij herhaaldelijk door Chinese autoriteiten in de kraag gegrepen en zelfs
het land uitgezet omdat het bouwwerk door gebieden liep die nog niet voor
buitenlanders waren opengesteld. Nu is Lindesay een bekendheid in China, en
werd hij voor zijn werk zowel door de Chinese regering als de Engelse koningin
met een lintje onderscheiden.
„Hier is de muur nog van bakstenen”, zegt Lindesay, „maar
ten westen van Beijing bestaat de Grote Muur uit een netwerk van aarden wallen
die in sommige gevallen ruim 2000 jaar oud zijn.” Lindesay’s foto’s
laten zien dat met name die muren het hebben moeten ontgelden. Boeren gebruikten
de aarde van de wallen voor hun boerderijen en wegwerkers legden er snelwegen
mee aan.
In 1998 richtte Lindesay daarom de stichting International Friends of the
Great Wall op die zich inzet voor het behoud van de Grote Muur. De stichting
brengt regelmatig Chinese schoolkinderen naar de muur om het bouwwerk van
blikjes en plastic afval te ontdoen. „Veel Chinezen zijn geschokt als
ze zien wat er met hun erfgoed gebeurt”, zegt Lindesay die met zijn
stichting voor een betere bescherming van de muur lobbyde.
Inmiddels zijn ook de Chinese autoriteiten zich van de schade bewust. Recentelijk
is er een Grote Muur-wet van kracht geworden die het bouwwerk en zijn onmiddellijke
omgeving moet beschermen. Of de wet werkelijk zal helpen, moet nog blijken.
Maar de eerste boete is wel al uitgeschreven aan een bouwbedrijf dat een deel
van de muur afbrak voor de aanleg van een snelweg in de Chinese provincie
Binnen-Mongolië.
Informatie over International Friends of the Great Wall en recente publicaties
over het fotoproject van William Lindesay is te vinden op: www.friendsofgreatwall.com
en www.2walls.org
BOX: De twee torens van Gubeikou, lokaal ’de twee zusjes’ genoemd,
werden zo’n 500 jaar geleden onder de Ming dynastie gebouwd. Tijdens
de Chinees-Japanse oorlog van 1937 werden de torens door Chinese troepen als
kanonstellingen gebruikt en door de Japanse luchtmacht gebombardeerd. Volgens
een boer die bij de Grote Muur woont, werden de torens in 1970 verder afgebroken
door soldaten van het Volksbevrijding’s Leger toen die een spoorlijn
aanlegden. De Chinese soldaten gebruikten de stenen om hun tentzeil te spannen
en bouwden er oventjes van om op te koken. Ook werd er een dam in het meertje
aan de voet van de torens aangelegd. Toen de soldaten wegtrokken verzamelden
de boeren de stenen voor hun huizen en de muren rond hun erf. Daar zijn ze
nu nog te vinden. De zwart-wit foto werd rond 1900 genomen, de kleuren foto
in 2004.
Copyright: Halbertsma, Tjalling
De Gids, maandag 16 april 2007
Tjalling Halbertsma
Van nomadentent naar kinderkamer. ’Soms zit het steppezand nog in de kisten.’
Het Amsterdamse pakhuis waar de firma Juist Just kantoor houdt, wordt gebruikt
waarvoor het in de zeventiende eeuw gebouwd werd. De handelswaar komt nog
altijd uit het Verre Oosten, maar bestaat inmiddels uit containerladingen
uitbundig beschilderde Mongoolse meubelen. Al menig Nederlands interieur is
opgefleurd met een tafeltje of een kist.
Het is een logistieke nachtmerrie om de meubeltjes uit de steppe van Mongolië
naar Nederland te krijgen, maar dat maakt ze voor importeur Justus Dolleman
nou juist zo aantrekkelijk. „Ik ben op zoek naar goederen die karakteristiek
zijn, maar worden geproduceerd in landen die moeilijk begaanbaar zijn”,
zegt de Amsterdammer, die twee keer per jaar in Mongolië te vinden is.
Mongoolse kisten, krukken en tafels voldoen ruimschoots aan die twee vereisten.
Ze zijn in ongebruikelijk felle kleuren beschilderd en met ingewikkelde patronen
en motieven versierd. Makkelijk naar Nederland te krijgen zijn ze niet.
De meubels, die in vrijwel iedere nomadentent in de steppe te vinden zijn,
worden in een werkplaats in het noorden van Mongolië in elkaar gezet
en beschilderd. „De mannen doen het timmerwerk, de vrouwen schilderen”,
vertelt de importeur. „Tenzij het pijnboompitten-seizoen begonnen is,
want dan ligt alles stil in Noord-Mongolië en is iedereen in de bossen
pitten aan het rapen.”
Vervolgens worden de meubels in vilt verpakt en op een Sovjet-truck in drie
dagen naar de hoofdstad Ulaanbaatar gereden, van waaruit ze per trein naar
de Chinese havenstad Tianjin gaan. Twee maanden later komt de lading in de
haven van Rotterdam aan. Dolleman: „Als we de kisten het pakhuis in
takelen, staat de gracht hier vol fotograferende toeristen.”
In het land van herkomst worden de traditionele meubels door nomaden gebruikt,
maar in Nederland komen ze vooral in kinderkamers terecht. „Mensen kopen
ze in de eerste plaats omdat je er zo vrolijk van wordt”, zegt Dolleman,
„maar vinden het helemaal leuk als ze horen dat de meubels uit Mongolië
komen.”
Als het aan Dolleman ligt moet dat zo blijven. Het zou weliswaar makkelijker
en goedkoper zijn om de meubels in buurland China te laten produceren, maar
daar heeft hij uitgesproken bezwaren tegen. „Je ziet dat het zo uit
de steppe komt, soms zit het zand nog in de kisten. De ruwe kantjes en de
scheve hoeken - dat maakt de meubelen juist zo bijzonder.” Daarnaast
vindt Dolleman het belangrijk dat Mongoolse producten in Mongolië worden
gemaakt.
„We zijn nu op een punt gekomen dat we moeten gaan nadenken over wat
de verkoop voor Mongolië zelf betekent”, zegt de importeur, die
ook zijn eigen huis met Mongoolse meubelen heeft ingericht. „Ik probeer
goede lonen te betalen en niet het onderste uit de kan te halen.” Juist
Just is daarom met een Amerikaanse organisatie in zee gegaan, die advies geeft
over hoe je in Mongolië duurzaam kunt ondernemen. Werk en hout zijn beide
schaars in Mongolië. „Daarom gaan we een deel van de opbrengst
voor herbebossing gebruiken. Ik moet er niet aan denken dat er een stuk bos
wordt omgekapt voor mijn meubelen.”
Interesse is er in Nederland genoeg. De Nederlandse overheid stimuleert de
import uit Mongolië door Juist Just een laag importtarief te berekenen
en onlangs werd het bedrijf benaderd door een Nederlandse winkelketen die
een fair trade-project in Mongolië wil opzetten.
Dolleman is voorzichtig geïnteresseerd: „Van het warenhuis wil
ik de garantie dat de productie in Mongolië blijft. Anders haal je het
hart uit de patronen, en de werkgelegenheid uit Mongolië.”
Informatie over de firma Juist Just en verkoopadressen voor Mongoolse meubels
is te vinden op internet: www.juistjust.nl.
BOX: Productie ligt stil in het seizoen van de pijnboompitten
Mongoolse Avdar Vrijwel ieder gezin in Mongolië heeft een avdar –
een bijzondere ornamenten kist – in zijn ger-tent of huis staan. De
kist wordt gebruikt om waardevolle spullen in op te bergen, zoals juwelen
en traditionele kleding, maar fungeert ook als boeddhistisch familie-altaar.
De klep van de kist zit daarom aan de voorkant in plaats van bovenop. Bovenop
staan kaarsen en afbeeldingen van familieleden maar ook van Boeddha en andere
heiligen. Omdat de kisten in de steppe per yak, paard of os worden vervoerd,
worden ze in drie verschillende maten gemaakt. Firma Juist Just verkoopt avdars
in zowel traditionele als nieuwe kleurpatronen. „Herders in Mongolië
zijn verrast maar ook trots als ik ze foto’s van Mongoolse meubels in
Nederlandse etalages laat zien”, zegt Justus Dolleman.
Copyright: Halbertsma, Tjalling
Op zoek naar goud in het steppeland van Klein Alaska
Wereld, 8 juli 2006
Tjalling Halbertsma
Bugant: Mongolië is een van de armste landen van Azië. In de bodem
van het steppeland is echter veel goud verborgen. Niet alleen mijnbouwbedrijven
slaan hun slag. Een leger van gelukzoekers graaft in rivierbeddingen en oevers
naar de goudklompjes.
In de bossen rond Bugant, een mijnwerkersdorpje in het noorden van Mongolië,
is zoveel goud te vinden dat de goudzoekers het gebied ’Klein Alaska’
noemen. Zijzelf hebben ook een bijnaam: ninja’s – door de goudpannen
en groene plastic teiltjes die zij op hun rug dragen lijken ze op de schildpadden
in de populaire tekenfilmserie Ninja Turtles.
Vanuit het hele land trekken de ninja’s naar Klein Alaska om er hun
geluk te beproeven. Per dag moeten ze minimaal een gram goud vinden om het
werk rendabel te maken. „Iedereen hoopt natuurlijk op een schaap in
zijn goudpan”, zegt een van de ninja’s. Of nog beter: een ’koe’,
zoals een brokje van zes gram goud ook wel genoemd wordt.
De goudzoeker zit gehurkt aan een rivier en laat het water met draaiende bewegingen
door zijn pan stromen. Zijn vrouw graaft ondertussen een schacht om op drie
meter diepte naar goud te zoeken.
Het graven is gevaarlijk werk. Regelmatig worden er ninja’s levend begraven
als een van de tunnels instort. Toezicht is er nauwelijks en veel van de goudzoekers
werken er illegaal.
Sinds kort kunnen de ninja’s een vergunning kopen, maar in de bossen
van Noord-Mongolië zijn er maar weinig goudzoekers die die moeite nemen.
De milieuschade door het goudzoeken is groot. Sommige ninja’s en mijnbouwbedrijfjes
gebruiken kwik en chemicaliën voor het winnen van goud, waardoor grondwater,
stroompjes en rivieren ernstig vervuild raken.
Omdat het goud dicht aan het grondoppervlak is te vinden, kappen de grote
bedrijven de bossen en schuiven zij met bulldozers de vruchtbare aarde weg.
Volgens voorschriften moeten de bedrijven na afloop de vruchtbare grond weer
over de mijnput schuiven. Lang niet alle bedrijven houden zich aan die voorschriften.
Volgens critici in Mongolië laten veel bedrijven hierdoor eigenlijk alleen
maar woestijn achter.
In Klein Alaska is die schade al aangericht door een Russische bedrijf dat
tijdens de sovjetperiode in het gebied mijnbouw pleegde. De methode die het
bedrijf gebruikte was daarbij zo inefficiënt dat er nog altijd veel goud
in het restafval te vinden is.
In een oogopslag wordt maar al te duidelijk dat niemand in Klein Alaska rijk
is geworden. Veel van de haveloze mannen en vrouwen zijn dag in dag uit aan
de rivier te vinden en leven onder plastic zeiltjes in het bos. Alleen goedkope
wodka is er in overvloed.
Het wél lucratieve werk speelt zich in de nieuwe goudvelden ten noorden
van Bugant af. Het gebied heet niet voor niets Ikh Alt – Groot Goud
in het Mongools.
’s Nachts lichten daar enorme schijnwerpers de hemel op. Reusachtige
bulldozers en graafmachines verwerken vierentwintig uur per dag tonnen grondmateriaal
tot een geconcentreerd mengsel dat uiteindelijk in spoelbakken wordt gestort.
Onder toeziend oog van het gewapende veiligheidspersoneel wordt het goud gewassen
en in een kluis opgeslagen. De kluis staat in een huisje pal in het midden
van het mijnwerkerskamp. Zodat iedereen het in de gaten kan houden.
„Als de mijn sluit, gaan we naar Ikh Alt”, verzucht een van de
ninja’s in Klein Alaska. „Er moet daar nog heel wat te vinden
zijn.”
Voorlopig blijft hij met zijn familie nog in de bossen langs de rivier van
Klein Alaska. Op zoek naar een schaap of een koe in zijn goudpan.
Copyright: Halbertsma, Tjalling
'Weidse lucht, verre horizonten. Net als thuis
in Texas'
Wereld, dinsdag 22 november 2005
tekst: Tjalling Halbertsma
foto's: Iwan Baan
Met een staatsbezoek aan Mongolië sloot Bush gisteren zijn toer door Azië af. Het land stond op zijn kop voor het eerste bezoek van een Amerikaanse president ooit.
Het staatsbezoek van Bush kan weinig inwoners van de Mongoolse hoofdstad Oelan
Bator zijn ontgaan. Weken eerder was er al een leger van Amerikaanse veiligheidsagenten
in de stad neergestreken, en gisteren vlogen de Amerikaanse helikopters urenlang
over de stad. Het centrum, normaal vol files, was volledig voor al het autoverkeer
afgesloten. Honderden Amerikaanse en Mongoolse vlaggen wapperden van lantaarnpalen
van de stad, die nog voor een deel uit de traditionele ronde, vilten ger-tenten
bestaat.
President Bush ontmoette de Mongoolse president Nambar Enkhbayar in zo'n ger-tent
in een van de binnenplaatsen van het regeringspaleis. Een marmeren standbeeld
van Djengis Khan, de dertiende-eeuwse Mongoolse krijgsheer die het grootste
wereldrijk in de geschiedenis veroverde, stond tussen de twee presidenten
opgesteld.
Tijdens een toespraak voor de regering en parlementsleden prees de Amerikaanse
president Mongolië voor de democratie die het sinds 1990 heeft opgebouwd.
Bush noemde het land 'een succes voor de regio en de wereld.' Hij leek daarmee
indirect aan China en de Centraal-Aziatische staten te refereren. In tegenstelling
tot de meeste Centraal-Aziatische landen en de twee buurlanden China en Rusland
organiseert Mongolië sinds 1990 internationaal erkende vrije verkiezingen
en heeft het een ongekend vrije pers. Ook opende het zijn markt voor buitenlandse
goederen en investeerders.
Daarbij heeft het land toenadering gezocht tot het Westen en vooral de Verenigde
Staten. De VS worden daarom ook wel het 'Derde Buurland' van Mongolië
genoemd, memoreerde de Amerikaanse president in zijn speech. Het steppeland
heeft zelfs een kleine troepenmacht in Irak van ongeveer 150 militairen, die
werd uitgezonden in 2003 toen de huidige president Enkhbayar nog premier was.
Bush bedankte Mongolië voor zijn bijdrage en noemde het een eer dat Amerikaanse
militairen zij-aan-zij mogen strijden met deze 'onverschrokken strijders'.
Hij noemde met name twee surveillerende Mongoolse militairen die in februari
een zelfmoordaanslag op een Poolse basis voorkwamen door de chauffeur van
een verdacht voertuig dood te schieten.
Maar ondanks politieke en economische hervormingen laat de welvaart in Mongolië
nog op zich wachten. Het staatsbezoek van president Bush zal daar, ondanks
de hulpgelden die de Amerikaanse president gisteren toezegde, geen verandering
in brengen. Het land blijft een van de armste landen in de regio.
In de week voor het bezoek van de Amerikaanse president demonstreerden nog
studenten en gepensioneerden voor een verhoging van hun beurzen en pensioenen.
Daarbij sneuvelden tientallen ruiten van het parlementsgebouw. Het bezoek
van Bush aan het parlementsgebouw verliep echter zonder incidenten.
In Ikh Tenger, de vallei van de Grote Hemel ten zuiden van de hoofdstad, bezocht
president Bush een herdersfamilie. In temperaturen van vijftien graden onder
nul woonde hij ook een khuumi-concert van een Mongoolse keelzanger bij.
President Bush zei zich thuis te voelen in Mongolië: 'Dit is een prachtig
land met weidse luchten en verre horizonten - zoals mijn thuisstaat Texas.'
Tjalling Halbertsma werkt in Mongolië als adviseur van president Enkhbayar.
Copyright: Halbertsma, Tjalling
De Chinees die Europa ontdekte (reportage, deel 6)
De Verdieping, maandag 31 Oktober 2005
Tjalling Halbertsma
Trouw-correspondent Tjalling Halbertsma reisde per Beijing Jeep van het oosten
naar het uiterste westen van China. Onderweg belicht hij in zes delen vanuit
historisch perspectief de confrontatie tussen China's meesters en minderheden,
tussen traditie en de 'Grote Sprong naar het Westen'. Dit is het laatste deel.
Wetenschappers in China en het Westen zijn het er nog altijd niet over eens:
is Marco Polo nu wel of niet in China geweest? Het verslag van de legendarische
reiziger uit Italië bevat namelijk zoveel omissies en fouten dat westerse
onderzoekers nu menen dat Polo zijn 'Wonderen van de Oriënt' op de reizen
en verhalen van anderen baseerde en zelf nooit in China was.
Wat wel vast staat, is dat Marco Polo niet de enige was die de reis tussen
China en het Westen beschreef. “Polo had een tegenligger“, zegt
dr. Zamir, een Oeigoerse wetenschapper. “Deze tegenligger uit China
heeft Rome en Bordeaux bezocht en zelfs de paus en de koningen van Frankrijk
en Engeland ontmoet.“
De oosterse reiziger die van China naar Europa trok heette Rabban Sauma en
zijn tocht is een van de vergeten mijlpalen van de wereldgeschiedenis. Rabban
Sauma is immers de eerste bezoeker uit China in Europa wiens naam we kennen.
Hij heeft daarmee dus eigenlijk de ontdekking van Europa op zijn naam staan.
Hoewel de wereldreizigers elkaar nooit hebben ontmoet, verliet Rabban Sauma
de Chinese hoofdstad juist toen Marco Polo, aan het einde van de dertiende,
eeuw China bereikte. Grote delen van hun routes overlappen elkaar in tegengestelde
richting.
Zowel Polo als Rabban Sauma beschrijven in hun reisverslagen Genua, Rome en
Napels en de vermaarde steden van het Oosten zoals Kashgar, Khotan en Peking.
De documenten, waarin zij elkanders werelden zo uitvoerig beschrijven, werden
zelfs in dezelfde periode opgetekend. En evenals Marco Polo's reisverslag
is het originele manuscript van Rabban Sauma verloren gegaan en alleen in
bewerkte vorm teruggevonden.
De stem van Rabban Sauma en zijn verwondering over het Westen klinken daarin
nog altijd door. 'Toen we arriveerden, zagen we een tuin zoals het Paradijs',
vertelt de reiziger als hij in 1287 Genua bereikt. 'En de winter is daar niet
koud, noch is de zomer heet, en men kan er druivenranken vinden die zevenmaal
per jaar vruchten dragen, maar waarvan geen wijn wordt gemaakt', schrijft
Sauma over Genua. Tien jaar later zal in die stad Marco Polo zijn 'Wonderen
van de Oriënt' laten optekenen.
Waar nu echter wordt betwijfeld of Polo werkelijk in China was, wordt Rabban
Sauma's bezoek aan Europa niet in twijfel getrokken. Dat is wel zeker.
Zo is een Syrische versie van zijn reisverslag bijvoorbeeld in de British
Library in Londen bewaard gebleven en ook andere bronnen verhalen overtuigend
van zijn reis naar het Westen. “In de archieven van het Vaticaan is
zijn zegel op een document bewaard gebleven“, licht dr. Zamir toe.
Zamir is verbonden aan het Bureau voor Cultureel Erfgoed van de oasestad Kashgar.
Deze stad is van origine Turks en werd door Oeigoeren gesticht in wat nu het
westelijkste puntje van China is.
Marco Polo beschreef de handelsstad uitvoerig. Hij zou er een oase van tuinen,
landgoederen en wijngaarden hebben aangetroffen. In de bazaar van Kashgar
klonken volgens Polo alle talen van Centraal-Azië en de kosmopolitische
inwoners van de stad reisden de hele wereld over.
Baseerde Marco Polo zijn beroemde verslag dan misschien op de verhalen van
deze reizigers uit Kashgar? Of is Polo toch echt in China geweest?
Wei Jian, een archeoloog verbonden aan de Renmin Universiteit van Peking die
een Chinese vertaling van het manuscript van Marco Polo bestudeerde, houdt
vast aan het laatste. “Polo moet in China zijn geweest“, zegt
hij stellig. Westerse onderzoekers die aanvoeren dat Polo China nooit bezocht
kan hebben omdat hij nergens in zijn verslag zaken als de Grote Muur, afgebonden
voeten of thee noemt, zijn wat Wei Jian betreft slechts kortzichtig. “De
Grote Muur bestond destijds slechts uit aarden wallen en werd pas daarna,
onder de Ming-dynastie, met stenen uitgevoerd“, zegt de Chinese onderzoeker.
Polo's reisverslag 'Wonderen van de Oriënt' beschrijft volgens hem tal
van Chinese zaken die laten zien dat Marco Polo China goed kende.
“Onderzoekers hebben zich zelfs afgevraagd of Marco Polo spaghetti en
ravioli naar China bracht, of omgekeerd op zijn terugreis Chinese noedels
en jiaozi in Italië heeft geïntroduceerd“, zegt Wei Jian.
Maar de recente vondst van een stukje ravioli in een graf in het westen van
China toont aan dat het niet Marco Polo kan zijn geweest die Italiaanse pasta
in China introduceerde. Het stukje deeg kwam maar liefst uit de achtste eeuw,
terwijl Polo pas vijf eeuwen later China zou hebben bereikt.
Ook zal het niet zijn Chinese tegenligger Rabban Sauma zijn geweest die de
deegwaren van het ene land naar het andere bracht. De Archeoloog Wei Jian
meent dat het waarschijnlijker is dat de deegwaren vanuit het Midden-Oosten
naar zowel China als Italië verspreid werden.
Het deegproduct zou dan door Kashgar zijn gereisd, waar het sindsdien op het
menu staat. In de bazaars van Kashgar buigen Oeigoeren zich nog elke avond
over enorme roestvrijstalen borden waarop dikke deegslierten met gekruid geitenvlees
liggen te dampen. In de Chinese wijken aan de andere kant van de stad serveren
de eethuisjes kommen met soortgelijke jiaozi en noedels. Ook Rabban Sauma
moet de deegwaren op zijn reis naar het westen herhaaldelijk gegeten hebben.
Het Kashgar dat Polo beschrijft heeft de reiziger uit China echter nooit gezien.
Toen hij de stad bereikte, waren de landgoederen, moskeeën en kerken
juist geplunderd en de inwoners op de vlucht geslagen. Kashgar was volledig
verwoest.
Rabban Sauma liet de geplunderde stad achter zich liggen om het Pamir-gebergte
over te steken. Via Bagdad bereikte hij uiteindelijk in 1287 Europa. Tijdens
zijn rondreis door Italië en Frankrijk ontmoette hij tal van vooraanstaande
heersers en gekroonde vorsten van het Westen. 'Wij zijn van over de oostelijke
zeeën gekomen', vertelde hij toen hij in Bordeaux de koning van Engeland
bezocht.
Nadat hij weer naar het Oosten was afgereisd, raakte Rabban Sauma in de vergetelheid.
“Hier in China is er nauwelijks iets over hem bekend“, bevestigt
dr. Zamir. “Hoewel Rabban Sauma van Oeigoerse afkomst is, zijn er hier
weinig mensen die zijn naam kennen.“ Zelfs dr. Zamir heeft zijn boeken
op de ontdekker van Europa moeten naslaan en in Kashgar nauwelijks iets over
Rabban Sauma kunnen vinden.
Datzelfde geldt voor Europa, waar het reisverslag van de Chinees die Europa
bezocht, in tegenstelling tot Polo's 'Wonderen van de Oriënt', maar weinig
bekendheid geniet. Terwijl alle bewijsstukken voor Rabban Sauma's ontdekkingsreis
juist in Europese instituten bewaard zijn gebleven.
Maar misschien is dat niet zo opmerkelijk. Als het Westen al moeite heeft
met de gedachte dat Marco Polo nooit in China is geweest, zal het ongetwijfeld
nog meer moeten wennen aan het idee dat ook Europa een ontdekker heeft.
Van Tjalling Halbertsma verschijnt begin december het boek 'Sprong naar het Westen, in het spoor van de Chinese ontdekker van Europa', Haarlem, Hollandia-Dominicus. Euro 16,90. ISBN 9064104123.
Copyright: Halbertsma, Tjalling
De verboden historie van de Oeigoeren (reportage, deel 5)
De Verdieping, maandag 17 oktober 2005
Tjalling Halbertsma
Correspondent Tjalling Halbertsma reisde per Beijing Jeep van het oosten van
China naar het uiterste westen. Onderweg belicht hij vanuit een historisch
perspectief de confrontatie tussen China's meesters en minderheden, tussen
de traditie en de 'Grote Sprong naar het Westen'. In zes bijdragen schetst
hij een dwarsdoorsnede van het moderne China. Aflevering 5: in Khotan roepen
'blanke' minderheden om erkenning.
'Afstammelingen van antieke 'blanken' proberen het moederland te verdelen'
In weinig landen is geschiedenis zo politiek beladen als in China. Neem bijvoorbeeld
de mummies van de Taklamakanwoestijn, die vanaf begin vorige eeuw in de verloren
steden van de westelijke provincie Xinjiang werden opgegraven. DNA-testen
wezen uit dat sommige van de overschotten ruim drieduizend jaar oud waren.
Een aantal van deze vroege bewoners van de Taklamakan is zo goed bewaard gebleven
dat ze namen kregen als de 'Schoonheid van Loulan' en 'De man uit Cherchen'
Strikt gesproken gaat het hier niet om mummies, maar om ongeprepareerde lichamen
die door de droge omstandigheden van de Taklamakan de tand des tijds doorstaan
hebben. De doden dragen kleurige wollen gewaden. Zelfs hun gelaatstrekken
zijn na al die tijd nog duidelijk en herkenbaar.
En daar lag nu juist het probleem. Onder het mutsje van een baby is blond
haar te zien en de gezichten van de andere lichamen tonen duidelijke westerse
trekken.
“De grootste opwinding, onder zowel westerse academici als onderzoekers
uit het Verre Oosten, was het gegeven dat er resten van 'blanke mensen' waren
opgegraven“, schreef de Chinese geschiedkundige Ji Xianlin in 2002.
“Een kleine groep etnische separatisten heeft deze vondst aangegrepen
om zich als afstammelingen van deze antieke 'blanken' op te werpen, om zo
het moederland te verdelen.“
Ji Xianlin doelde op de islamitische Oeigoerse minderheidsgroep die het gebied
bevolkt en die zich af zou willen scheiden van China. De ontdekking dat de
oorspronkelijke bewoners van het gebied niet zozeer aan Han-Chinezen maar
aan westerlingen verwant zijn, vormde in China in de eerste plaats een gevoelig
politiek-historisch probleem.
Een van de Oeigoerse onderzoekers beweerde namelijk dat de oorspronkelijke
bevolking van de Taklamakan niet was uitgestorven, sterker nog, dat hijzelf
een levend bewijs van zijn stelling was. “Zij zijn er nog steeds, ik
ben er nog steeds“, laat de onderzoeker in een westerse publicatie weten.
Het onderzoek werd vanaf het begin door de Chinese landspolitiek gegijzeld.
Om te beginnen werd de vondst jarenlang geheimgehouden. Vervolgens werd de
voortgang van het onderzoek belemmerd.
De overheid legde de onderzoekers allerlei restricties op, alles om maar te
vermijden dat de vondst van de 'blanke' mummies etnische en politieke implicaties
zou hebben.
In China zijn zowel wetenschap als geschiedschrijving nog altijd ondergeschikt
aan de politiek. De etnische spanningen tussen China's meesters en minderheden
zijn nergens zo zichtbaar als in Khotan. Het is een oasestad aan de zuidelijke
zijderoute, met vrijwel volledig gescheiden woonwijken voor Oeigoeren en Han-Chinezen.
Tot ver in de 20ste heette dit gebied Oost-Turkestan. Xinjiang, letterlijk
'Nieuwe grenzen', is een van China's autonome provincies. De Oeigoeren hebben
er formeel zelfbestuur.
In de praktijk is het echter Peking dat de provincie met harde hand regeert.
Zo staat op het stadsplein van Khotan een standbeeld van Mao, die zijn hand
vaderlijk op de arm van een Oeigoerse boer heeft gelegd.
Billboards met portretten van de Chinese communistische leiders prijken op
vrijwel ieder kruispunt en de straten zijn naar steden uit Oost-China vernoemd.
Er is een Peking-weg en een Rode Ster-straat, een Taipei-straat, vernoemd
naar de Taiwanese stad die hemelsbreed op bijna vijfduizend kilometer afstand
ligt. Khotan ligt zo ver naar het westen, dat vrijwel alle hoofdsteden van
de landen die aan Xinjiang grenzen dichterbij zijn dan Peking.
“Wij hebben hier niets te beslissen“, vertelt een Oeigoerse ambtenaar
in Khotan, op voorwaarde dat zijn naam niet genoemd wordt. “Oeigoeren
kunnen hier alleen maar gehoorzamen. Sinds de rellen van de jaren negentig
treedt de politie hard op tegen alles wat ook maar enigszins met Oeigoerse
tradities of islam heeft te maken. De gevangenis hier zit vol met Oeigoeren
die van separatisme worden beschuldigd en de begraafplaatsen liggen vol mannen
die tijdens de opstanden werden gedood.“
Zelfs het stadsmuseum van Khotan is slachtoffer geworden van de geschiedenis
die het moet vertellen. In 2003 werd het museum gesloten en afgebroken. In
een andere wijk werd met de bouw van een nieuw museum begonnen.
Toen het museum af was greep de politie echter onverwacht in. De directie
kreeg te horen dat drie koepels van het dak verwijderd moesten worden. Het
Bureau voor Publieke Veiligheid was namelijk de mening toegedaan dat de koepels
er 'te islamitisch' uitzagen. De museumdirecteur legde uit dat de stijl van
de koepels niet islamitisch, maar vroeg-boeddhistisch was en voerde aan dat
de bouwplannen eerder door hetzelfde Bureau waren goedgekeurd. Maar men was
onverbiddelijk.
De koepels hadden ruim twintigduizend euro gekost, en nadat ze waren afgebroken
was er geen geld meer over voor een nieuw dak. Omdat het oude museum inmiddels
was afgebroken werd de collectie opgeslagen. De curator vertrok naar het buitenland.
“Alles wat met islam of Oeigoer-geschiedenis te maken heeft is in de
ogen van de overheid verdacht“, vertelt de Oeigoerse ambtenaar.
Ironisch genoeg is de verre geschiedenis van Xinjiang in geen enkel opzicht
islamitisch. De Taklamakan-lichamen dateren van ver voor de komst van de islam.
Vanaf de vierde eeuw verbreidde het boeddhisme zich in de oasesteden van de
Taklamakan. Terracotta beelden en muurschilderingen die in de verloren steden
van West-China werden opgegraven, laten een wereld zien waarin boeddhistische
en zelfs Griekse en Romeinse invloeden zijn terug te vinden. Xinjiang ligt
op het kruispunt van oosterse en westerse werelden, zoals de Taklamakan-mummies
laten zien.
De Oeigoeren van Oost-Turkestan beheersten lange tijd het gebied. In de loop
der eeuwen onderwierpen en beïnvloedden zij vrijwel alle naburige volken.
En dat maakt Xinjiang in de ogen van de Chinese autoriteiten nu juist zo gevaarlijk.
Volgende week, slot: naar het westelijkste punt van China.
Copyright: Halbertsma, Tjalling
Naar het Westen, het zand in (reportage, deel 4)
De Verdieping, dinsdag 4 ocotber 2005
Tjalling Halbertsma
Trouw-correspondent Tjalling Halbertsma reisde per Beijing Jeep van het
oosten van China naar het uiterste westen. Onderweg belicht hij vanuit een
historisch perspectief de confrontatie tussen China's meesters en minderheden,
tussen de traditie en de 'Grote Sprong naar het Westen'. In zes bijdragen
schetst hij zo een dwarsdoorsnede van het moderne China. Vandaag bezoekt hij
Vestiging 36 in de Taklamakan-woestijn.
Zo groot is de Taklamakan-woestijn in het westen van China dat de mensen er
vroeger bang voor waren. 'Ga erin, kom er nooit meer uit,' betekent 'Taklamakan'
in een oud Oeigoers dialect.
Van oudsher meden de karavanen deze onmetelijke zee van zand, omdat er vrijwel
geen water te vinden is. En als dat al werd aangetroffen, was de kans groot
dat het bitter en ondrinkbaar was. Een enkeling die zich desondanks de woestijn
in waagde, deed dat in de winter, om drinkwater in de vorm van ijsblokken
mee te kunnen nemen.
Tot voor kort liepen de antieke karavaanroutes en wegen daarom alleen langs
de randen van de woestijn, waar kleine oaseplaatsjes te vinden zijn met namen
als Yarkant, Khotan en Miran. Maar in zijn onstuitbare opmars naar het westen
legt China nu wegen aan die de Taklamakan doorsnijden.
Het woestijnzand, dat vroeger in staat was hele steden te bedelven, blokkeert
ook nu nog regelmatig de wegen en er moet dan ook voortdurend worden gewerkt
om deze open te houden. Dagelijks scheppen rijen mannen en vrouwen het zand
van het asfalt terwijl anderen kilometerslange rieten schuttingen plaatsen
die het stuifzand opvangen.
Maar waarom is China zo geïnteresseerd in de aanleg van een wegennet
in een van de meest afgelegen uithoeken van de aarde? Het antwoord staat te
lezen op de reusachtige billboards die aan de woestijnwegen staan opgesteld.
'Ontwikkel het Westen!', 'Ontwikkel de olievelden!', wordt de voorbijganger
toegeroepen.
Binnen China's 'Grote Sprong naar het Westen,' dat de westelijke gebieden
economisch moet ontsluiten, spelen de provincies aan China's westelijke grenzen
een uiterst belangrijke rol. Die zijn strategisch belangrijk en er zit olie
in de grond. De zes westelijke provincies zijn tevens, in tegenstelling tot
de drukbevolkte provincies van Oost-China, nauwelijks bevolkt. Bij elkaar
beslaan ze zestig procent van het Chinese landoppervlak, maar ze huisvesten
slechts een kleine acht procent van de 1,3 miljard grote bevolking.
Het westelijke gebied is zo uitgestrekt, afgelegen en dunbevolkt dat China
er zijn satellieten en raketten lanceert, kernproeven uitvoert en er -- volgens
internationale mensenrechtenorganisaties - talloze gevangeniskampen heeft.
Tot voor kort werden China's westelijke provincies voornamelijk bevolkt door
minderheidsgroepen, zoals de Oeigoeren, Tibetanen en Mongolen. Maar als het
aan China ligt, komt daar snel verandering in. Wil China zijn economische
ontwikkeling voortzetten, dan zal het de olievelden in de westelijke provincies
moeten ontwikkelen en - niet minder belangrijk - in eigen handen zien te houden.
Separatisme en nationalisme van de hier levende minderheden worden daarom
hardhandig de kop in gedrukt, terwijl werk- en aanmoedigingspremies een gestage
stroom Han-Chinese migranten vanuit de oostelijke provincies naar het westen
lokken.
“We zijn hier allemaal vreemden“, zegt een ambtenaar tijdens zijn
lunch in een Chinees restaurant in Vestiging 36. Dat is een klein plaatsje
aan de oostelijke zijde van de Taklamakan-woestijn. De kokkin komt uit Guangxi
in Zuidoost-China en haar man uit Sichuan. Zelf komt hij uit Chongqing, dat
ruim drieduizend kilometer naar het oosten ligt. Ook zijn vrouw komt uit een
van de oostelijke kustprovincies.
Vestiging 36 werd rond 1960 door het Chinese Volksbevrijdingsleger gesticht
als een militaire basis. Het plaatsje ligt naast het oude Miran, een van de
legendarische ruïnesteden die aan het begin van de 20ste eeuw in de Taklamakan
ontdekt werden.
Opgravingen laten een cultuur zien die maar weinig met klassiek China van
doen had. Tussen de stadsruïnes zijn boeddhistische kloosters en tempels
gevonden met afbeeldingen van Griekse goden en Romeinse muurschilderingen
uit de vijfde eeuw. Sommige van deze muurschilderingen waren door een mysterieuze
schilder met de naam 'Titus' gesigneerd, voordat de stad werd opgegeven.
In de 6de eeuw droogde de plaatselijke rivier op en trokken de inwoners uit
Miran weg. In de eeuwen die volgden werd de stad onder een dikke laag woestijnzand
bedolven.
Maar nu is er een waterleiding die Vestiging 36 dagelijks van drinkwater voorziet.
Het zijn de ruime olie- en gasvoorraden die de belangstelling voor de onder
het zand bedolven plek opeens heeft doen herleven. 's Nachts zijn de lichten
van de olievelden in de Taklamakan van kilometers ver te zien. Tienduizenden
werknemers bedienen de boortorens en raffinaderijen.
Maar of de plaatselijke bevolking ervan meeprofiteert, is de vraag. “De
banen zijn voor Han-Chinezen, de olie is voor Han-Chinezen en de markten liggen
vol goedkope Chinese producten“, klaagt een Oeigoerse bakker bij een
van de olievelden. “Wat schieten wij daarmee op?“
De rol van China's dunbevolkte westen lijkt te worden beperkt tot het leveren
van de grondstoffen voor het economisch wonder dat zich aan de oostelijke
kust voltrekt. Het overheidsprogramma in het westen van het land bestaat vooral
uit het opzetten van een uitgebreide infrastructuur. De nieuwe wegen, spoorlijnen
en luchthavens vervoeren olie en grondstoffen van West- naar Oost-China, en
op de terugweg komt een niet-aflatende stroom economische migranten van de
kust naar het westen. Al met al zijn het volgens veel Oeigoeren voornamelijk
Han-Chinezen die van de nieuwe ontwikkelingen in West-China profiteren.
“In de meeste dorpjes rond de Taklamakan is er niet eens stromend water“,
zegt de bakker, die zijn ovens nog op hout stookt.
Daar zal ongetwijfeld China's 'Grote Sprong naar het Westen' weldra verandering
in brengen, als ook hier elektriciteit en water komt. Maar de stroom en het
water worden duur betaald. In een aantal westelijke provincies bevindt de
oorspronkelijke bevolking zich nu al in de minderheid ten opzichte van de
Han-Chinese immigranten die het westen binnentrekken. In Binnen-Mongolië
zijn er op iedere autochtoon inmiddels bijna tien Han-Chinese immigranten.
Hier, rond de Taklamakan, zijn de Oeigoeren nog net in de meerderheid. Maar
het is de vraag of dat nog lang zo zal zijn: “Voor iedere liter olie
krijgen wij twee Han-Chinezen terug“, zegt de bakker.
Zelfs de straatverkoper die in zijn bakfiets zoete aardappelen verkoopt, is
daarvoor uit Oost-China gekomen. Zijn gepofte aardappelen kosten nog geen
vijf eurocent per kilo, maar de zaken gaan volgens eigen zeggen goed. Zo goed
dat hij er niet aan denkt om naar zijn geboortedorpje terug te keren. Binnenkort
hoopt hij zijn vrouw en zoontje over te laten komen.
China's economische migranten hebben de naam Taklamakan - 'Ga erin, kom er
nooit meer uit' - een volkomen nieuwe betekenis gegeven.
Volgende aflevering: in het etnisch verscheurde Khotan worden zelfs de mummies van separatisme verdacht.
Hoe de Romeinen naar China kwamen (reportage, deel 3)
De Verdieping, vrijdag 30 september 2005
Tjalling Halbertsma
Trouw-correspondent Tjalling Halbertsma reisde per Beijing Jeep van het oosten
van China naar het uiterste westen. Onderweg kijkt hij naar de historische
confrontatie tussen China's meesters en minderheden, tussen de traditie en
de 'Grote Sprong naar het Westen'. Zo schetst hij een dwarsdoorsnede van het
moderne China. Vandaag deel 3: in de Hexi-corridor tussen oost en west ligt
een Romeins dorpje.
Ingeklemd tussen de uitgestrekte woestijnen van Binnen-Mongolië en de
uitlopers van de Tibetaanse hoogvlakte ligt in de Chinese provincie Gansu
de Hexi-doorgang. Sinds eeuwen verbindt deze doorgang Oost-China met Centraal-Azië
en het Westen. Of het nu de karavanen op de zijderoute waren van vroeger of
het weg- en treinverkeer van nu: Hexi is de enige optie.
Nu de Chinese overheid een 'Grote Sprong naar het Westen' heeft verordonneerd,
waarmee de strategische en olierijke westelijke provincies economisch moeten
worden ontwikkeld, komt er een snelweg door de Hexi-doorgang. Nu nog ligt
er alleen een aftands strookje asfalt, maar als het project klaar is zal hier
een heuse vierbaans snelweg zijn, met benzinestations, nieuwe steden en aftakkende
provinciale wegen.
Als het aan de regionale autoriteiten van Gansu ligt zal één
van die provinciale wegen busladingen buitenlandse toeristen naar het gehucht
Liqian brengen. Nu bestaat Liqian uit weinig meer dan een tiental boerenhuizen
van leem, met wat kippen en varkens die op de erven rondscharrelen en stapels
goudgele maïskolven die op de platte daken liggen te drogen. Het lijkt
een Chinees boerendorpje zoals er duizenden andere in de Hexi-doorgang te
vinden zijn. Toch is er iets bijzonders met Liqian.
“De toeristen zullen met duizenden toestromen“, voorspelt ook
de lokale schoolmeester Jiang. “Vooral uit Italië. Ooit woonden
hier namelijk Romeinen.“
De leraar vertelt dat de Romeinen hun sporen in de plaatselijke bevolking
hebben achtergelaten. “In 2001 heeft een onderzoeker van de Universiteit
van Lanzhou het DNA van boeren uit de omgeving onderzocht. Daarin vond hij
het bewijs dat er Europees bloed door onze aderen stroomt.“
De onderzoeker over wie hij het heeft, professor Guan Yicheng, overleed kort
na het onderzoek, maar zijn zoon bereidt nu een publicatie van de bevindingen
van zijn vader voor. Volgens Chinese berichtgeving zou maar liefst de helft
van de vierhonderd boeren die aan het onderzoek deelnamen van westerlingen
afstammen.
“We bleken zelfs een aantal van de Romeinse nakomelingen op school te
hebben“, zegt meester Jiang, “kinderen met krullend haar en zelfs
blauwe ogen.“
Professor Guan Yicheng was niet de eerste onderzoeker wiens interesse was
gewekt door het boerendorpje Liqian. Al in 1957 betoogde de eminente Engelse
sinoloog Homer Dubs dat zich rond het begin van de westerse jaartelling een
Romeins garnizoen in de Hexi-doorgang vestigde. Hij baseerde zich op een aantal
Chinese en westerse documenten en historische voorvallen.
In 54 voor Chr. marcheerde onder leiding van de Romeinse generaal Crassus
een garnizoen van maar liefst veertigduizend huurlingen naar Centraal-Azië
om het koninkrijk der Parthen in te nemen. In de Slag van Carrhae dolven Crassus
en zijn manschappen het onderspit. Bijna de helft van hen werd gedood, duizenden
anderen werden gevangengenomen. De krijgsgevangen Romeinen werden naar de
oostelijke grens van het koninkrijk gedreven, waar ze gedwongen werden in
het leger van hun nieuwe meesters te vechten.
In dezelfde periode stuurde de Chinese keizer een aantal gezanten naar het
westen om met de Xiongnu, een lokale stam, een verdrag te sluiten. De Xiongnu
doodden echter de boodschappers, waarop de Chinese keizer in 36 voor Chr.
een strafexpeditie liet uitrukken.
Tijdens de belegering van de Xiongnu werden de Chinese soldaten geconfronteerd
met een garnizoen dat zich in een formatie opstelde die de Chinezen nooit
eerder hadden gezien. De mannen stonden zo dicht bij elkaar opgesteld dat
hun schilden elkaar overlapten 'als de schubben van een vis'.
De rijen die daarachter stonden hielden hun schilden boven het hoofd. Tussen
de schilden door zagen de Chinese soldaten speren naar buiten steken. De soldaten
meldden deze opmerkelijke opstelling aan hun generaals, die het in de rapporten
lieten optekenen.
Ook zagen de Chinezen dat de vreemde krijgers een palissade hadden gebouwd,
een vesting van houten palen.
Tijdens de slag die volgde maakten de Chinese soldaten 145 buitenlandse krijgsgevangenen.
Op grond van de palissades en de karakteristieke gevechtsopstelling betoogt
Dubs dat het hier om de Romeinen van Crassus ging.
En dan is er de naam van het dorpje, Liqian, dat in het jaar 5 na Chr., veertig
jaar na het voorval, in een Chinees register werd opgetekend. Liqian is één
van de benamingen die China gebruikte om Rome of het Romeinse rijk aan te
duiden en is tot in de vijfde eeuw in Chinese bronnen terug te vinden. Enkele
jaren later werd Liqian herdoopt in Jielu, wat volgens Dubs zoiets als 'gevangen
tijdens de belegering van een stad' wil zeggen.
Het dorpje lag volgens het Chinese register in de Hexi-doorgang, in een gebied
waar de Chinese keizer ex-gevangenen na hun vrijlating vestigde. Dubs en zijn
Chinese collega Guan menen dat Liqian door de Romeinse krijgsgevangenen werd
gesticht.
De plaatselijke autoriteiten zijn er in ieder geval heilig van overtuigd dat
Liqian Romeins is. In het nabijgelegen provinciestadje Yongchang zijn inmiddels
enorme betonnen beelden opgericht van een Romeinse legionair en de Chinese
keizer. In de boerenvelden van Liqian bouwde de lokale overheid zelfs een
Romeins tempeltje na. Op het bouwwerk staan afbeeldingen van cupido's en het
jaartal 2001. Dat is het jaar waarin de Chinese onderzoeker het dorpje bezocht
en de sporen van Romeinen in het DNA van de bevolking ontdekte.
Herders en schapen maken inmiddels dankbaar gebruik van de schaduw die het
tempeltje over de gortdroge velden werpt.
Behalve genetisch onderzoek verrichtte professor Guan ook opgravingen in Liqian.
Onder een van de boerenerven trof hij eeuwenoude aarden wallen aan. De muren
zijn een kleine meter hoog en bestaan voornamelijk uit aangestampte aarde
en stukken steen.
“Van de Romeinen“, zegt schoolmeester Jiang terwijl hij eerbiedig
zijn hand op een van de aarden wallen legt. Een klein bordje dat ernaast is
geplaatst door het lokale Chinese bureau voor archeologie stelt hem in het
gelijk.
Verder zocht de Chinese archeoloog naar aanwijzingen in de oude graven, die
in de velden rond het dorpje te vinden zijn. Chinese rapporten vermelden dat
hij daar naast zwarte ook rode en blonde haren was tegengekomen.
De Chinese onderzoeker concludeerde daaruit dat het niet alleen om Romeinse
soldaten ging, maar dat zich ook huurlingen uit Noord-Europa in het garnizoen
soldaten hadden bevonden.
“Sommige inwoners van Liqian verven hun haar zwart“, zegt meester
Jiang. “Zodat ze niet al te veel opvallen onder de lokale bevolking.“
Volgende aflevering: midden in de Taklamakan-woestijn in het westen van China
ligt 'Vestiging 36'.
China maakt de islam Chinees (reportage, deel 2)
De Verdieping, donderdag 22 september 2005
Tjalling Halbertsma*
Tjalling Halbertsma reisde per Beijing Jeep van het oosten naar het uiterste westen van China. Onderweg belicht hij in zes delen vanuit historisch perspectief de confrontatie tussen China's meesters en minderheden, tussen de traditie en de 'Grote Sprong naar het Westen'. Een dwarsdoorsnede van modern China. Vandaag: de vrouwenmoskee van Ningxia.
Hoe Chineser de religies worden, des te beter kan de staat ze controleren Op het eerste gezicht lijkt de Wunan-moskee in Wuzhou op een boeddhistisch tempeltje. Het bouwwerk staat aan de rand van het stadje en kijkt uit over de gortdroge akkers van Centraal-China. De daken krullen aan de uiteinden omhoog, het groene glazuur op de dakpannen glanst in de morgenzon en de houten pilaren zijn met Chinese patronen en motieven versierd. Zelfs de minaret van de moskee ziet eruit als een bescheiden pagode. Het enige verschil is dat de Wunan-moskee niet op het zuiden staat gericht, zoals bij Chinese tempels het geval zou zijn. In plaats daarvan wijst de gebedshal naar het westen, in de richting van Mekka. "We zijn Chinees maar ook moslim", zegt een bezoeker van de moskee. "Wij eten daarom geen varkensvlees en drinken geen alcohol." Dat de moslims geen varkensvlees eten, stuit veel Han-Chinezen tegen de borst. Varkensvlees is immers een van de 'drie kostbaarheden' in de Chinese keuken. De Han-Chinezen vormen de meerderheid in China. Om de voor hen minder geschikte eethuizen waar geen varkensvlees wordt geserveerd aan te duiden, hebben de islamitische eethuisjes van Ningxia een groene vlag hangen. Hier wordt alleen halal eten bereid. Veel Han-Chinezen zijn er niet te vinden. "Ik had ooit een Han-Chinese verloofde", vertelt een van de jonge moslimvrouwen in de moskee. "In restaurants bleef hij maar varkensvlees bestellen. Dus heb ik de verloving uiteindelijk maar verbroken." In China's grote steden zijn er zelfs huwelijksbureaus die zich specialiseren in het vinden van islamitische partners. "Mijn broer is op die manier gehuwd en veel van mijn ongehuwde vrienden staan er ingeschreven", vertelt de vrouw. De islam bereikte China vroeg. Al in 652, het derde decennium in de islamitische kalender, arriveerde een delegatie van een opvolger van de profeet Mohammed in de Chinese hoofdstad. Dit illustreert de snelheid waarmee de nieuwe religie uit Arabië zich naar het oosten verbreidde. Wel is de islam in China een beetje anders geworden. Zo kon de religie zich niet onttrekken aan de Chinese motieven en uiterlijkheden, zoals de Wunan-moskee toont. Ook heeft de islam zich in China vooral onder minderheden verspreid. Onder de meerderheid van de Han-Chinezen zijn daarentegen weinig moslims. De islam stelt namelijk dat een vertaling van de Koran niet meer als het heilige boek beschouwd kan worden. Omdat hij zo snel na de openbaring werd opgetekend, is de Koran volgens moslims een exacte weergave van Gods bedoelingen. Iedere vertaling zou die exacte weergave geweld aandoen; alleen de Arabische versie telt. Dit bemoeilijkte de verbreiding van de religie. Hoewel er uiteindelijk wel degelijk Chinese vertalingen van de Koran gemaakt zijn, heeft de nieuwe religie vrijwel geen volgelingen onder de Han-Chinese meerderheid gekregen. Wel wist de islam in China minderheden die niet tot de Han-Chinezen behoren, aan zich te binden. Een van die islamitische minderheidsgroepen zijn de Hui, die zich voornamelijk in de autonome provincie Ningxia hebben gevestigd. De Wunan-moskee in Ningxia is slechts een van honderden moskeeën aldaar. Maar Wunan is geen gewone moskee. Er zijn om te beginnen geen mannen onder de gelovigen. Daarentegen staat er voor de hoge drempel van de gebedshal een lange rij vrouwenschoenen en binnen draagt iedereen een hoofddoek. De Wunan-moskee wordt namelijk geleid door Jin Meihua, China's eerste vrouwelijke imam, en is alleen voor vrouwen toegankelijk. China's vrouwelijke imams zijn uniek in de wereld. Dagelijks geeft Jin Meihua koranstudie aan een handjevol studentes en op vrijdag bezoeken zo'n vijftig vrouwen haar moskee. "Toen ik jong was, waren er alleen mannelijke imams en was ik gedwongen de Koran thuis te bestuderen", vertelt zij. In 2003, na haar studie Arabisch, behaalde zij op veertigjarige leeftijd het examen van de Ningxia Islamitische Associatie en werd zij als eerste vrouwelijke imam in China geregistreerd. "In de toekomst zal het aantal vrouwelijke imams alleen maar toenemen", voorspelt Jin Meihua. "Sinds mijn benoeming zijn er ruim dertig andere vrouwen in Ningxia als imam bijgekomen." In China, waar religie onder uiterst strenge staatscontrole staat en vooral de islam als een potentiële bedreiging voor de nationale stabiliteit wordt gezien, kan een dergelijke ontwikkeling niet worden losgezien van de staat. Het Chinese godsdienstbeleid is in eerste plaats gericht op het controleren van de religieuze activiteiten en organisatie van de gelovigen in het land. De wet bepaalt dat religieuze organisaties de 'nationale eenheid, harmonie tussen minderheidsgroepen en sociale stabiliteit dienen te bewaken'. Chinese religies dienen voorts onafhankelijk van de buitenwereld te worden georganiseerd. Dit jaar werden buitenlandse pelgrimages verder aan banden gelegd. Zo bepaalt artikel 43 van de nieuwe religiewet dat het Religiebureau, een orgaan van de overheid, 'de organisatie van pelgrimages naar overzee dient te verbieden.' Het verbod is volgens internationale mensenrechtenorganisaties vooral afgekondigd om de hadj naar Mekka aan banden te leggen. Het religiebeleid lijkt te zijn gebaseerd op de overweging dat hoe Chineser de vreemde religies zijn, des te beter kan de staat ze controleren. Contact met buitenlandse moslims zou Chinese moslims kunnen radicaliseren en het onafhankelijkheidsstreven onder islamitische minderheidsgroepen aanwakkeren. Dat er nu vrouwelijke imams worden toegelaten in Ningxia houdt daarmee verband: deze vrouwen maken het verschil tussen de islam in China en die daarbuiten nog groter. De toelating van vrouwelijke imams en het aan banden leggen van de hadj naar Mekka zijn dan ook door critici en internationale mensenrechtenorganisaties uitgelegd als pogingen om de islamitische Hui-minderheid van buitenlandse moslims te vervreemden. Voor de vrouwen die sinds kort de Wunan-moskee kunnen bezoeken, is een bezoek aan Mekka echter om andere redenen onwaarschijnlijk. "Een reis naar Mekka kost in de eerste plaats veel geld", zegt een van de koranstudenten. "We zijn uiteindelijk boeren, en veel geld is er niet." Daarnaast zouden zij een Mekka aantreffen waar de heiligste plekken alleen voor mannen toegankelijk zijn en waar zelfs imam Jin Meihua geen toegang tot de kaäba zou krijgen. Maar daar was het de autoriteiten in China nu juist om te doen: om de eigen moslims van Mekka te vervreemden.
*De auteur betreurt enkele onjuistheden in dit artikel betreffende de toegankelijkheid van Mekka
Volgende aflevering van de reis door China: Liqian, een Romeinse vestiging in West-China.
Per Beijing Jeep door China (reportage, deel 1)
De Verdieping, woensdag 14 september 2005
Tjalling Halbertsma
Tjalling Halbertsma reisde per Beijing Jeep van het oosten naar het uiterste westen van China. Onderweg belicht hij in zes delen vanuit historisch perspectief de confrontatie tussen China’s meesters en minderheden, tussen traditie en de ’Grote Sprong naar het Westen’. Een dwarsdoorsnede van modern China. Vandaag: de katholieke minderheid van Binnen-Mongolië.
Het laat zich in het Westen moeilijk voorstellen, maar er is een pelgrim
uit China die de ontdekking van Europa op zijn naam heeft staan. Aan het eind
van de dertiende eeuw, toen Marco Polo naar China reisde, trok een Chinees
in tegenovergestelde richting vanuit de Chinese hoofdstad naar Rome. China’s
ontdekker van Europa heet Rabban Sauma. Rabban Sauma’s reis was begonnen
als een pelgrimage naar Jeruzalem, maar zou de reiziger veel verder naar het
westen voeren. In 1287 zette hij in Napels voet aan wal. Tijdens zijn rondreis
door Europa bezocht hij de belangrijkste koningshuizen en kathedralen in steden
zoals Rome, Parijs en Bordeaux. Rabban Sauma had echter meer met zijn gastheren
gemeen dan zij op het eerste gezicht konden vermoeden. Hij was namelijk een
volgeling van een oosterse kerk die in Europa nestoriaans werd genoemd. Eeuwen
eerder was deze kerk in Europa afvallig verklaard en verbannen. Nu, zeven
eeuwen later, zijn de rollen omgekeerd en is het de rooms- katholieke kerk
die in China verboden is en ondergronds is gegaan. „Ik denk niet dat
de regering bang is voor het christendom op zich”, zegt de voorganger
van een ondergrondse huiskerk in Hohhot, de hoofdstad van de Chinese provincie
Binnen- Mongolië. „Maar de overheid is bang voor religieuze groepen
die op eigen initiatief bijeenkomen en dus niet door de regering gecontroleerd
kunnen worden.” De voorganger – laten we hem Bayar noemen –
is vijfentwintig jaar, etnisch Mongools en in de steppe van Binnen-Mongolië
opgegroeid. Op de universiteit van Hohhot kwam hij met het christendom in
aanraking en liet hij zich dopen in een illegale huiskerk. Bayars ouders zijn
lid van de Communistische Partij, die voorschrijft dat partijleden atheïstisch
moeten zijn. Zij probeerden hun zoon op andere gedachten te
brengen. „Ze zeiden dat het te gevaarlijk was en dat het christendom
alleen voor buitenlanders is, zegt Bayar. Nu leidt hij een ondergrondse huiskerk
die zo’n zeventig leden heeft. Omdat de kerk niet geregistreerd staat
is deze huiskerk illegaal. Volgens een nieuwe bepaling die dit jaar in de